Rb. Limburg 21 februari 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:1640

Beroep tegen de hoogte van het bedrag dat eiser vanaf juli 2022 (tot september 2023) maandelijks heeft moeten aflossen op zijn geldschuld bij de Svb. Daarbij heeft de Svb uit coulance volstaan met een aflossingsverplichting van 50% van de eigenlijke aflossingscapaciteit. Eiser vindt dat (ook) de coulanceregeling in zijn situatie niet passend is (geweest) en de Svb in zijn geval bij de berekening van de aflossingscapaciteit had moeten uitgaan van 95% van de relevante AOW-bijstandsnorm (conform de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1). Eiser heeft echter niet onderbouwd dat de in het kader van de coulanceregeling toegepaste berekening tot een zodanig andere, nadelige uitkomst voor hem leidt dat deze niet de toets kan doorstaan die de CRvB in ieder geval als aanvaardbaar heeft aangemerkt. Verder volgt de rechtbank de Svb in het standpunt dat in het geval van eiser niet kan worden gesproken van een ‘kennelijk onredelijk resultaat’ als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen. Het beroep is ongegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken