Rb. Limburg 11 december 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:9207
Mondelinge uitspraak. Beroep ongegrond. Verweerder heeft terecht het verzoek van eiser om naturalisatie afgewezen. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 8, eerste lid, onder c en vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Eiser heeft door een te late verlenging van zijn verblijfsvergunning een verblijfsgat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich gelet op dit verblijfsgat terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldeed aan artikel 8 van de RWN, omdat er geen sprake was van een aaneengesloten periode van drie jaar waarin eiser toelating en hoofdverblijf in Nederland had. Dat eiser materieel wel aan de voorwaarden voor verblijf voldeed en bovendien door verweerder werd gedoogd aangezien er geen uitzettingshandelingen zijn verricht, maakt dat niet anders. Er was geen sprake van actieve instemming. De rechtbank is van oordeel dat de eis van verblijf en toelating in eisers geval niet buiten toepassing kan worden gelaten wegens strijd met internationaal recht. Het gaat hier om de betekenis van een wettelijk begrip, namelijk van ‘toelating’ vermeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. Van dit wettelijke vereiste van toelating kan verweerder daarom ook niet afwijken op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb). Eisers beroep op de hardheidsclausule van artikel 10 van de RWN slaagt niet. Er is niet gebleken van een ambtelijke misslag. Daarnaast zijn de aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder dat de afwijzing in strijd moet worden geacht met het evenredigheidsbeginsel. De situatie van eiser is namelijk niet wezenlijk anders dan die van andere staatlozen of anderen die door een te late verlenging van hun verblijfsvergunning te maken hebben met een verblijfsgat. Ook is het voor eiser niet onmogelijk om het Nederlanderschap te verkrijgen
De uitspraak op rechtspraak.nl