Rb. Limburg 5 september 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:6018

Verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep tegen een, op basis van een onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleende vrijstelling, verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning. Omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op korte termijn uitspraak zal doen in een vergelijkbare zaak en bij de rechtbank meerdere vergelijkbare beroepszaken aanhangig zijn waarin geen voorlopige voorziening is gevraagd, maakt de voorzieningenrechter geen gebruik van de bevoegdheid om meteen uitspraak in de hoofdzaak te doen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker bij behoud van doorzicht naar het achter de woning gelegen natuurgebied en behoud van die natuur minder zwaar dan het belang van vergunninghouder bij het in stand laten van zijn vergunning. Dat geldt eveneens voor verzoekers vrees voor wateroverlast. Het hele project waar de vrijstelling voor geldt, heeft volgens een deskundigenadvies weliswaar een (beperkt) negatieve invloed op de in het gebied voorkomende wateroverlast, maar het belang bij schorsing van de vergunning voor deze ene woning weegt minder zwaar dan het belang van vergunninghouder bij het (in ieder geval voorlopig) in stand laten van zijn vergunning. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken