Rb. Limburg 3 juli 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:5395
Civiel recht. Bodemzaak. vonnis in incident. Eisers in het incident vorderen dat de hoofdzaak wordt verwezen naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, om te worden gevoegd met een bij die rechtbank aanhangige zaak, gelet op de nauwe samenhang tussen beide procedures. Gedaagde in het incident meent dat beide procedures inhoudelijk aan elkaar verwant zijn en verzet zich niet tegen verwijzing. Artikel 220 lid 1 Rv bepaalt dat in zaken die reeds eerder bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is, verwijzing van de zaak naar die andere rechter kan worden gevorderd. Gevolg van verwijzing is dat een gezamenlijke behandeling en beslissing van twee zaken (procedures) door één en dezelfde rechter plaatsvindt. Doel van verwijzing en voeging is enerzijds het voorkomen van tegenstrijdige en niet met elkaar overeenstemmende beslissingen en anderzijds de proceseconomie, dus het voorkomen van onnodig dubbel werk. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering, gelet op de aangevoerde en niet weersproken gronden, moet worden toegewezen en verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kamer voor kantonzaken, locatie Breda.
De uitspraak op rechtspraak.nl