Rb. Limburg 5 juli 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:4041

Wijzigingen van watervergunning verleend voor het lozen van afvalwater afkomstig van de Integrale Zuiverings Installatie (IAZI) in oppervlaktewater in verband met een nieuwe fabriek en de realisatie van een nieuw koelwerk in een aanwezig persluchtstation op het Chemelotterrein. Daarvoor is voor elk van de fabrieken een zelfde voorschrift opgenomen op grond waarvan vanaf 1 januari 2026 koelwaterconditioneringsstoffen niet meer in het afvalwater dat geloosd wordt richting IAZI mogen voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee chemievrij koelen niet als verplicht is voorgeschreven. Het voorschrift ziet in het eerste lid op de stoffen die na 1 januari 2026 niet meer in het procesafvalwater mogen voorkomen. Daarmee bepaalt het voorschrift niet, ook niet in relatie tot het tweede lid, op welke wijze de fabrieken tot dat resultaat moet komen en kan het niet bewerkstelligen dat chemievrij koelen verplicht is. Gegeven het doel van de voorschriften, namelijk bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat verweerder met het stellen van een voorschrift aan het influent van de IAZI, zijn bevoegdheid tot het stellen van voorschriften te buiten is gegaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank bovendien van oordeel dat door verweerder de aanvragen niet zijn verlaten. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, voor zover het betreft de uitvoerbaarheid van het voorschrift, onvoldoende gemotiveerd dat eiseressen voor 1 januari 2026 hun productieprocessen zodanig kunnen aanpassen dan wel bijvoorbeeld het procesafvalwater kunnen nabehandelen, dat op voorhand duidelijk is dat zij op die datum in staat zullen zijn (en het van hen gevergd kan worden) te voorkomen dat de genoemde chemicaliën nog in het procesafvalwater voorkomen. De rechtbank kent ook gewicht toe aan de onbestreden stelling van eiseressen dat het voorschrift per 1 januari 2026 niet voorkomt dat conditioneringsmiddelen door de IAZI, als gevolg van lozing door andere bedrijven, nog geloosd blijven worden en dat de te behalen winst ten opzichte van die lozing maar heel klein is. De belangen van verweerder en van de drinkwaterbedrijven zijn anderzijds ook groot en het belang van het voorkomen van lozing van de genoemde chemicaliën onderschrijft de rechtbank. Gegeven de procentueel kleine bijdrage van deze stoffen afkomstig van de betrokken fabrieken, de onverminderde inspanningsverplichtingen van eiseressen om methoden te onderzoeken die tot minimalisering leiden, brengen de grote belangen van verweerder en de drinkwaterbedrijven de rechtbank echter niet tot een ander oordeel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen