Rb. Limburg 13 juni 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:3337
Beroep tegen besluit van het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, waarbij de Legger en de Waterschapsverordening gewijzigd zijn vastgesteld (aanwijzing werkingsgebieden). Verweerder heeft gronden van onder meer eiser langs de Geleenbeek als inundatiegebied aangewezen, ten behoeve van de waterbergende capaciteit tijdens overstromingen. De rechtbank stelt vast dat het rechtsgevolg van het bestreden besluit bestaat uit het van toepassing verklaren van beperkingen (met name een vergunningplicht) op dit gebied. Eiser is het met deze aanwijzing niet eens. De rechtbank oordeelt dat verweerder het algemeen belang dat wordt gediend met de aanwijzing als inundatiegebied belangrijker heeft mogen achten dan het individuele belang van eiser bij het achterwege blijven van deze aanwijzing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de keuze om de gronden van eiser als inundatiegebied aan te wijzen en daarvoor geen uitzondering te maken, toereikend onderbouwd en is die beslissing gebaseerd op een toereikende belangenafweging. De rechtbank is tevens van oordeel dat verweerder toereikend heeft onderbouwd dat de aanwijzing geschikt en noodzakelijk is om wateroverlast in stedelijk gebied tegen te gaan en dat de aanwijzing niet in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in het concrete geval van eiser niet onevenredig bezwaarlijk is. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl