Rb. Limburg 23 mei 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:2632
Verzoek om een machtiging tot verwerping nalatenschap ten behoeve van minderjarige kinderen. De wetgever heeft met artikel 4:193 BW beoogd bescherming te bieden aan minderjarige kinderen. Een verklaring van verwerping moet worden afgelegd binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt. Op het moment van indiening van het verzoek is deze termijn ruimschoots verstreken. De machtiging wordt toch verleend. Onverkorte toepassing van de “drie maanden termijn” leidt in dit specifieke geval tot een resultaat dat in strijd is met bedoeling van de wetgever en de rechtsbescherming die de wetgever minderjarigen heeft willen bieden. Voldoende onderbouwd dat het saldo van de nalatenschap negatief is. Verzoekster zal als wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarigen een nalatenschap moeten vereffenen, terwijl zij geen dan wel nauwelijks zicht heeft om de omvang en samenstelling daarvan. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat zij de ter zake noodzakelijke informatie zonder al te veel moeite en kosten zal kunnen verkrijgen. Bovendien zijn de tot de nalatenschap behorende vermogensbestanddelen niet aan verzoekster ter beschikking gesteld. Verzoekster kan op dit moment niet aan haar verplichtingen als vereffenaar kan voldoen. In die hoedanigheid dient zij de tot de nalatenschap behorende vermogensbestanddelen immers te beheren en, zo nodig, ten behoeve van de schuldeisers te gelde te maken. Reële kans dat verzoekster in haar hoedanigheid van vereffenaar wordt geconfronteerd met een mogelijke aansprakelijkstelling door schuldeisers van de nalatenschap in het geval zij haar taak als vereffenaar niet naar behoren vervult. Uit het oogpunt van rechtsbescherming wordt de verzochte machtiging dan ook verleend.
De uitspraak op rechtspraak.nl