Rb. Limburg 16 mei 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:2468

Ontbreken spoedeisend belang bij een verzoek om voorlopige voorziening ten aanzien van lasten onder dwangsom. Dat verzoeker het niet eens is met de inhoud van het bestreden besluit (namelijk voor zover verweerder geen overtredingen heeft vastgesteld) maakt niet dat er dan ook sprake is van een situatie waarin van verzoeker niet verlangd kan worden dat hij de beslissing op bezwaar afwacht. Verder komt gewicht toe aan het feit dat van de kant van verweerder maatregelen zijn getroffen om overlast te voorkomen, en dat verzoeker daartegenover niet aannemelijk heeft gemaakt dat er desondanks (feitelijke) omstandigheden zijn die met het treffen van een voorlopige voorziening, voor de duur van de bezwaarprocedure, beperkt, verhinderd of voorkomen moeten worden. Van evidente onrechtmatigheid van het bestreden besluit is niet gebleken. Verweerder heeft uiteindelijk beslist op het handhavingsverzoek van verzoeker (en anderen) en niet gebleken is dat verweerder onmiskenbaar een onjuist kader heeft gehanteerd. De kennelijk wens van verzoeker dat verweerder meer had gedaan en adequater had gereageerd, leidt de rechter niet tot op voorhand tot de conclusie dat er sprake is van evidente onrechtmatigheid. Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen