Rb. Limburg 22 november 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:6816
Eiseres exploiteert een jachthaven. Zij is het niet eens met de aan haar opgelegde aanslag watertoeristenbelasting. Eiseres vindt dat de Verordening vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel onverbindend moet worden verklaard. Volgens eiseres zijn er namelijk geen steekhoudende redenen om haar niet gelijk te behandelen met watersportverenigingen die op grond van de Verordening zijn vrijgesteld van de belasting. De rechtbank overweegt dat uit de motivering van het collegevoorstel blijkt dat de raad bij de invoering van het onderscheid tussen watersportverenigingen en jachthavens uit is gegaan van de ervaringsregels dat leden van watersportverenigingen, anders dan gebruikers van een jachthaven, geen toeristen zijn (maar afkomstig zijn uit de regio) en zij als oogmerk het uitoefenen van watersport hebben. De rechtbank acht exceptief toetsend door eiseres weerlegd dat in de aard van het gebruik een onderscheid kan worden aangenomen. De rechtbank acht echter aannemelijk dat leden van watersportverenigingen, anders dan gebruikers van een jachthaven, over het algemeen uit de regio afkomstig zijn en zij niet vanwege toeristische redenen van de ligplaats gebruik maken. Gelet hierop en met inachtneming van de beperkte toets die zij kan en mag aanleggen, is de rechtbank van oordeel dat watersportverenigingen en jachthavens niet gelijk aan elkaar zijn en daarom van strijd met het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. De rechtbank ziet daarom geen grond om de Verordening vanwege strijd met een algemeen rechtsbeginsel onverbindend te verklaren. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl