Rb. Limburg 20 oktober 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:6175
Beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 10 november 2022 over een Deense zaak, waarin het Hof in een préjudiciële procedure over een natuurvergunning heeft geoordeeld dat bij een voortzetting van een project een herbeoordeling ook dient te voldoen aan de vereisten van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Het Hof heeft in de aan de orde zijnde zaak geoordeeld dat voortzetting, onder ongewijzigde voorwaarden, van de exploitatie van een installatie die reeds in de projectfase is vergund, in beginsel niet hoeft te worden onderworpen aan de in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn neergelegde beoordelingsverplichting. Wanneer echter de aan de afgifte van de vergunning in kwestie voorafgaande beoordeling enkel betrekking had op de gevolgen van het project afzonderlijk – zonder dat in aanmerking werd genomen dat dit project bestond naast andere projecten – en die vergunning de voortzetting van die exploitatie bovendien afhankelijk stelt van de voorwaarde dat een nieuwe vergunning wordt verkregen waarin het nationale recht voorziet, moet aan de afgifte van deze nieuwe vergunning een nieuwe beoordeling voorafgaan die voldoet aan de vereisten van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. De rechtbank stelt vast dat de natuurvergunning die op 10 december 2015 aan vergunninghoudster is verleend, tot stand is gekomen na een passende beoordeling en dat de door verweerder op 21 februari 2019 ontvangen aanvraag ziet op een, vanuit natuurbeschermingsbelangen, zeer geringe wijziging van de inrichting van vergunninghoudster ten opzichte van de in 2015 vergunde situatie. Daarom hoeft, in lijn met het oordeel van het Hof, de voortzetting in beginsel niet opnieuw te worden onderworpen aan de in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn neergelegde beoordelingsverplichting. Voor afwijking van dat uitgangspunt ziet de rechtbank in de onderhavige situatie geen aanleiding. Niet gesteld of gebleken is dat de in 2015 verleende vergunning gebrekkig tot stand is gekomen of gebrekkig is, zodat niet meer mag worden uitgegaan van de daarbij vergunde situatie. De draaiing van de stal resulteert naar het oordeel van de rechtbank in dit verband niet in een gewijzigd project. Evenmin is sprake van de voorwaarde van een verplichte periodieke herbeoordeling, zoals in de Deense zaak aan de orde was. Anders dan eisers leest de rechtbank in het arrest van het Hof niet een ongeclausuleerde plicht om bij elke aanvraag opnieuw een volledige passende beoordeling te maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl