Rb. Limburg 29 augustus 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:5088

In geschil zijn voor drie onroerende zaken, waarin logies wordt verstrekt, opgelegde aanslagen in de Bedrijveninvesteringszone. Op grond van de Wet woz is sprake van drie afzonderlijke onroerende zaken. Uit de Verordening volgt in dat geval dat voor iedere onroerende zaak afzonderlijk BIZ-bijdrage is verschuldigd. De Verordening voorziet niet in een uitzondering voor gezamenlijk geëxploiteerde onroerende zaken. Hieruit volgt dat de aanslagen BIZ-bijdrage op grond van de Verordening terecht zijn opgelegd. Er is geen plaats voor onverbindendverklaring van de Verordening en, gelet op de hoogte van de aanslagen, het uitblijven van heffing over 2020 en 2021 (vanwege de coronapandemie en de watersnood) en de voordelen die eiseres als logiesverstrekker van de uit de BIZ-bijdrage gefinancierde initiatieven heeft, ziet de rechtbank geen grond om een individuele en buitensporige last aan te nemen en de Verordening op dit punt voor eiseres buiten toepassing te laten. Het beroep is daarom ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen