Rb. Limburg 18 april 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:2587
Lasten onder dwangsom voor onder meer het staken en gestaakt houden van de aanvoer en acceptatie van PMD-afval. Eiseressen vinden dat er geen sprake is van een overtreding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de acceptatie en opslag van geuremitterend PMD-afval niet is toegestaan op grond van de omgevingsvergunningen. De aanvraag en de daarbij behorende stukken die deel uitmaken van de vergunningen zijn bepalend voor de vraag waarvoor omgevingsvergunning is verleend. In bijlage 3 bij de aanvraag is opgenomen dat gemengde verpakkingen (met Euralcode 15 01 06) geaccepteerd worden, uitpandig los worden opgeslagen en de eigenschap “niet geuremitterend” hebben. Daar komt bij dat het betreffende afval in de paragraaf ‘Geur’ van de vergunningen niet is genoemd als mogelijke bron van geur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, onder verwijzing naar de controlerapporten van verschillende controle data, toereikend onderbouwd dat het opgeslagen PMD-afval geur emitteerde. De rechtbank overweegt dat voor het vaststellen of het opgeslagen PMD-afval geur emitteerde geen zogenoemde ‘gecertificeerde neus’ is vereist. Het gaat erom of vastgesteld kon worden dat geur afkomstig was van het PMD-afval en niet om te bepalen of voldaan wordt aan de geurnorm. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het geuronderzoek niet tot de conclusie dat de opslag van PMD-afval niet geuremitterend is, omdat in het onderzoek de geurbelasting getoetst is aan de geurnorm uit de vergunning. De conclusie is dat er sprake was van overtreding van de artikelen 2.1, eerste lid, onder e, en 2.3, aanhef en onder a, van de Wabo. De beroepen zijn ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl