Rb. Limburg 29 maart 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:2203

In deze uitspraak heeft de rechtbank de beroepen beoordeeld van eiser tegen de intrekking en terugvordering van de eerder aan hem toegekende WW-, ZW- en TW-uitkering omdat sprake zou zijn geweest van een gefingeerd dienstverband bij de inmiddels failliete ex-werkgever. De beroepen zijn ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband en dat hij op basis van dat dienstverband niet verzekerd was voor werknemersverzekeringen en daarom geen recht had op de uitkeringen. De uitkeringen zijn terecht met terugwerkende kracht ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank acht daarbij de door het Uwv geschetste gang van zaken, die erop neerkomt dat in het openbare faillissementsregister specifieke gegevens te vinden waren die aanleiding vormden voor onderzoek naar faillissementsfraude door de failliete werkgever, plausibel. Er is geen enkele concrete en objectieve aanwijzing dat sprake is geweest van ongeoorloofde discriminatie bij het nemen van de beslissing om het faillissement van de werkgever aan een nader onderzoek te onderwerpen en aan te melden bij het RIEC. Dat de oorspronkelijke eigenaren van buitenlandse komaf zijn, is daarvoor niet genoeg. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onderzoek van het Uwv naar mogelijke fraude door individuele werknemers is ingegeven door vooringenomenheid, meer specifiek dat sprake is van etnische profilering.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken