Rb. Limburg 3 maart 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:1631
Beroep betreft de toepassing van artikel 18 van de WW na inwerkingtreden van de Regeling onwerkbaar weer (de Regeling). De rechtbank is, anders dan de Centrale Raad van Beroep onder het oude recht, van oordeel dat niet alleen de werknemer maar ook de werkgever een rechtstreeks belang heeft bij de weigering van WW-uitkering wegens onwerkbaar weer. Met artikel 2 van de Regeling is namelijk een rechtstreekse koppeling ontstaan tussen artikel 18 van de WW en artikel 7:628, eerste en negende lid, van het BW. Als de werknemer bij onwerkbaar weer aanspraak kan maken op uitkering, vervalt door die koppeling de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Over de weigering van uitkering voor werknemers die niet uitsluitend in de openlucht werken is de rechtbank van oordeel dat de Regeling geen aanleiding is om een andere uitleg te geven aan artikel 18 van de WW dan de Centrale Raad van Beroep in vaste rechtspraak heeft gedaan. Het Uwv heeft echter onvoldoende onderzoek gedaan naar het gemotiveerde beroep van de werkgever op het gelijkheidsbeginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl