Rb. Limburg 10 oktober 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:7770

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser tegen de aanmaning en het invorderingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard. Dat heeft verweerder volgens de rechtbank terecht gedaan en daarom is zijn beroep ongegrond. Tav de aanmaning Uit artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb volgt volgens de rechtbank dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een aanmaning, zoals bedoeld in artikel 4:112 van de Awb. Dit betekent dat daartegen ook geen bezwaar mogelijk is ogv artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. Uit artikel 4:113 van de Awb volgt dat dat ook voor de kosten geldt. Volgens de rechtbank is dat ook zo voor de rente: de verschuldigdheid hiervan moet (te zijner tijd door verweerder) bij beschikking worden vastgesteld (artikel 4:99 van de Awb). Dat door verweerder of de commissie bezwaarschriften niet specifiek / expliciet iets gezegd is over de kosten / rente (maar alleen iets over de aanmaning) leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat het beroep van eiser (alleen daarom) gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Tav het invorderingsbesluit Eiser stelt zich op het standpunt dat hij pas via de aanmaning op de hoogte is geraakt van het invorderingsbesluit en alsnog tijdig een bezwaarschrift hiertegen heeft ingediend. Volgens de rechtbank heeft verweerder de verzending en de postbezorging van het eerdere invorderingsbesluit voldoende aannemelijk gemaakt. Hierdoor bestaat het vermoeden dat eiser het invorderingsbesluit heeft ontvangen. Dit vermoeden heeft eiser niet ontzenuwd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken