Rb. Limburg 27 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:589
Betreft beroep van vergunninghouder tegen een aan hem verleende revisievergunning voor het uitbreiden van de bestaande inrichting voor afvalbe- en verwerking. Bij de aanvraag is een verruiming van opslagcapaciteiten en opslagmogelijkheden gevraagd en de acceptatie en opslag van nieuwe afvalstoffen. Verweerder heeft de vergunning verleend, waarbij ten aanzien van een aantal afvalstoffen een onderscheid is gemaakt tussen maximaal regulier vergunde (minder dan aangevraagd) en maximaal incidenteel vergunde opslag (tot de aangevraagde hoeveelheid). Aan de incidenteel maximaal vergunde opslag zijn een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet vergunninghouder voorafgaand aan de opslag schriftelijk aantonen dat afzetkanalen beschikbaar zijn, dat de opslag maximaal 3 jaar zal bedragen en moet hij financiële zekerheid stellen. Opslag van deze incidentele hoeveelheden mag verder alleen plaatsvinden na schriftelijke goedkeuring door het bevoegd gezag. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van een doelmatige afvalverwerking bevoegd is de aangevraagde opslaghoeveelheden gedeeltelijk dan wel onder voorwaarden te vergunnen. Dat is zelfs mogelijk wanneer daarbij bestaande rechten worden aangetast. Een dergelijk besluit dient zorgvuldig te worden genomen en per afvalstof toereikend te worden gemotiveerd, waarbij een verzwaarde motiveringsplicht geldt wanneer daarbij bestaande rechten worden aangetast. De thans verleende omgevingsvergunning voldoet daar niet aan. Het beroep is gegrond, het bestreden besluit wordt deels vernietigd en verweerder wordt opgedragen in zoverre opnieuw op de aanvraag te beslissen.
De uitspraak op rechtspraak.nl