Rb. Limburg 24 december 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:9902

Tussenuitspraak over weigering doelgroepverklaring loonkostenvoordeel (LKV) omdat de aanvraag is gedaan na afloop van de termijn van artikel 2.11 van de Wet tegemoetkomingen loondomein waarin staat dat de doelgroepverklaring binnen drie maanden na het ontstaan van een dienstbetrekking wordt aangevraagd. De wettekst duidt erop dat het om een harde termijn gaat, maar dat betekent niet dat daarvan onder geen enkele omstandigheid kan worden afgeweken. Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het doel van de driemaandentermijn is dat wordt voorkomen dat achteraf nog een LKV moet worden toegekend in gevallen waarin aannemelijk is dat het dienstverband ook zonder vooruitzicht op een LKV tot stand zou zijn gekomen. In dit geval is de nieuwe dienstbetrekking uitsluitend als gevolg van een wijziging van de rechtsvorm van de werkgever ontstaan, terwijl voor de eerdere dienstbetrekking al een doelgroepverklaring was toegekend. Hier doet zich dus juist niet de situatie voor die de driemaandentermijn beoogt te voorkomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er voor zo’n geval een zekere ruimte is om van die termijn af te wijken. Het is dan aan verweerder om op basis van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden en met inachtneming van alle belangen van zowel de werkgever als de werknemer alsmede met het belang van uitvoerbaarheid van de wet, te beoordelen of die ruimte al dan niet wordt benut. Verweerder moet die afweging alsnog maken. Naar aanleiding van de tussenuitspraak is het bestreden besluit ingetrokken en is alsnog een doelgroepenverklaring verleend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken