Rb. Limburg 3 november 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:8228

Verzoek voorlopige voorziening in verband met bezwaar tegen last onder dwangsom d.d. 29 juni 2021 met begunstigingstermijn van 8 weken ingaande de datum van het dwangsombesluit. Dwangsombesluit is aanstonds aangetekend verzonden aan verzoeker, maar pas op 9 september 2021 op de voorgeschreven wijze (aan de gemachtigde van verzoeker) bekend gemaakt. Het bezwaar van 29 september 2021 is daarom en nu er geen aanleiding is aan te nemen dat de gemachtigde al eerder (via verzoeker) op de hoogte was van het dwangsombesluit, tijdig. Volgens verweerder is de begunstigingstermijn (8 weken ingaande 29 juni 2021) reeds verstreken en zijn de dwangsommen verbeurd en is er daarom geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening. Of dwangsommen zijn verbeurd hangt echter af van het antwoord op de vraag welke begunstigingstermijn verzoeker is geboden om aan de last te voldoen. Het dwangsombesluit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op het bepaalde in artikel 2:1, eerste lid, van de Awb, in verbinding gelezen met de artikelen 3:40 en 3:41, eerste lid, van de Awb, pas op 9 september 2021 in werking getreden. Dat betekent dat de in het bestreden besluit vermelde termijn waarbinnen verzoeker aan de last kon voldoen (zonder een dwangsom te verbeuren) op het moment van inwerkingtreding van het bestreden besluit reeds was verlopen. Hierdoor is er feitelijk geen sprake van een aan verzoeker gegeven begunstigingstermijn. Het dwangsombesluit zal daarom in bezwaar geen stand kunnen houden. Het verzoek wordt toegewezen en het dwangsombesluit wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op het bezwaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken