Rb. Limburg 20 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5822
Verweerder heeft de aanvraag voor een exploitatievergunning van een speelautomatenhal van de derde-partij terecht verleend. Het beroep van eiseres is ongegrond. De verdeling van de vier te vergeven exploitatievergunningen heeft plaats gevonden op basis van loting. Eiseres kan als belanghebbende worden aangemerkt bij vergunningverlening aan de derde-partij. Eiseres hoeft de in de rangorde hoger geëindigde aanvraag van de derde partij niet per se aan te vechten in de procedure tegen de afwijzing van haar eigen aanvraag. Eiseres heeft ook procesbelang. Dat eiseres niet de eerstvolgende in de rangorde is, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat zij daarom geen procesbelang meer heeft, omdat zij met dit beroep niet kan bereiken dat aan haar een vergunning wordt verleend. De voorzieningenrechter acht de omstandigheid dat eiseres niet de eerste maar de tweede in de rangorde is niet zodanig dat daardoor uitgesloten is dat zij alsnog in aanmerking komt voor een vergunning. Die situatie kan zich namelijk voordoen indien een verleende vergunning zou komen te vervallen, de kandidaat die boven eiseres is geëindigd in de loting van de vergunning afziet of mogelijk niet door de inhoudelijke toets komt. De voorzieningenrechter is – na kennis te hebben genomen van de geheime stukken op grond van artikel 8:29 van de Awb (= de aanvraag van een exploitatievergunning van de derde-partij) – van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen weigeringsgrond voordoet, zoals bedoeld in artikel 8 van de Verordening kansspelautomaten Heerlen 2017.
De uitspraak op rechtspraak.nl