Rb. Limburg 19 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5747
Gedeeltelijke afwijzing aanvragen om bijzondere bijstand voor intakekosten en maandelijkse kosten voor bewind voor 2018 en 2019. Verweerder is van mening dat eiseres in die periodes over voldoende draagkracht beschikt om een gedeelte van de kosten zelf te betalen. Verweerder is van mening dat met beslag op het inkomen geen rekening kan worden gehouden bij de berekening van de draagkracht. De rechtbank is in navolging van de twee uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 19 januari 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:110 en ECLI:NL:CRVB:2021:242) over dit onderwerp van oordeel dat verweerder bij de vaststelling van de draagkracht van eiseres in redelijkheid niet het inkomen waarop executoriaal beslag rustte in aanmerking kon nemen. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om zelf te voorzien en bepaalt dat eiseres recht heeft op de aangevraagde bijzondere bijstand. Tot slot stelt de rechtbank ambtshalve vast dat er geen sprake is van schending van de redelijke termijn. Naar het oordeel van de rechtbank is – gelet op de uitbraak van het coronavirus en alle gevolgen daarvan – sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank acht het redelijk om in verband hiermee de redelijke termijn met vier maanden te verlengen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 19 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:110
- CRvB 19 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:242
- CRvB 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3311
- CRvB 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1556
- CRvB 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:501
- ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3526
- CRvB 28 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8374