Rb. Limburg 5 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5341

Een omwonende heeft vanwege het vastgestelde lagere rendement van het luchtwassysteem verzocht om intrekking of wijziging van de milieuvergunning van een varkenshouderij. Het college ziet hier geen reden toe. Naar aanleiding van de verlening van de milieuvergunning heeft de Afdeling volgens het college immers geoordeeld dat een eventuele toekomstige wijziging van de Regeling geurhinder en veehouderij geen invloed kan/mag hebben op een oordeel over de rechtmatigheid van een verleende vergunning. De rechtbank overweegt dat de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) niet bepaalt onder welke omstandigheden een vergunning geheel of gedeeltelijk moet worden ingetrokken. Dit is namelijk bepaald in artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om tot intrekking van een eenmaal verleende en onherroepelijke omgevingsvergunning over te kunnen gaan, is van belang of de door die vergunning toegestane milieugevolgen zo ernstig zijn dat zij niet slechts als ongewenst, maar zonder meer als ontoelaatbaar nadelig kunnen worden aangemerkt. Niet in geschil is dat de geurnormen uit de Wgv bij een aantal woningen, waaronder die van eiser, zullen worden overschreden. De vraag of de geurbelasting leidt tot ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu heeft verweerder echter niet beantwoord. Er is sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is gegrond. Nu het college niet heeft beoordeeld en daarmee niet duidelijk is of de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, wordt niet toegekomen aan de vraag of die gevolgen kunnen worden voorkomen door een wijziging van de voorschriften van de vergunning.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken