Rb. Limburg 2 december 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:9462

Eiser heeft om handhaving van (gestelde) overtredingen op het perceel van derde-partij gevraagd omdat hij vindt dat er daardoor wateroverlast op zijn perceel ontstaat. Verweerder heeft het bezwaar tegen de (gedeeltelijke) afwijzing ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onjuist is. Verweerder heeft geen overtreding van een verleende omgevingsvergunning aangenomen, terwijl dat wel het geval is. Ook is komen vast te staan, anders dan verweerder heeft geconstateerd, dat sprake is van een verharding die mogelijk in strijd is met het bestemmingsplan. Dat laatste is komen vast te staan op basis van een onderzoek door de Stichting Advisering voor Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB). Die door de rechtbank ingeschakelde deskundige heeft ook vastgesteld dat er geen oorzakelijke relatie is tussen de door eiser genoemde overtredingen en de wateroverlast. In dat licht gaat de rechtbank (na gegrondverklaring van het beroep) niet over tot een terug verwijzing naar verweerder voor een nieuwe beslissing op bezwaar. De rechtbank beslecht het beroep finaal ook omdat dat de procedure verkort en daarmee de verhoudingen tussen eiser en derde-partij meer gediend zijn. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen