Rb. Limburg 23 oktober 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:8130
Omwonenden hebben gevraagd de omgevingsvergunningen te schorsen die zijn verleend voor de sloop van twee bestaande panden (een woning en een winkel) en het op diezelfde plek opbouwen van twee nieuwe panden (en winkel op de begane grond en daarboven 17 studio’s). De voorzieningenrechter ziet geen reden voor het schorsen van de sloopvergunning. Vergunninghouder heeft bij het indienen van de aanvraag voor deze vergunning geen zogenoemde natuurvergunning (ex artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo) gevraagd. Naderhand heeft vergunninghouder echter wel een aanvraag ingediend bij Gedeputeerde Staten voor een ontheffing op basis van de Wnb. Daarmee is de verplichting om een natuurvergunning aan te vragen losgekoppeld van de sloopvergunning en komen te vervallen. De voorzieningenrechter acht ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van (evidente) privaatrechtelijke belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen sloopt. De voorzieningenrechter ziet ook geen reden voor het schorsen van de omgevingsvergunning die is verleend voor het bouwen - in afwijking van het bestemmingsplan Centrum – van de nieuwe panden. De afwijking bestaat uit het overschrijden van de maximale goothoogte, maar daarvoor heeft verweerder in redelijkheid vergunning kunnen verlenen. Volgens de omwonenden is tevens sprake is van overtreding het verbod op nieuwbouw. In het bestemmingsplan Centrum is inderdaad bepaald dat nieuwbouw niet is toegestaan. Daarbij is echter een uitzondering gemaakt voor herbouw. Onder herbouw wordt in artikel 1.54 van het bestemmingsplan verstaan: het opnieuw (op)bouwen van een gebouw op exact dezelfde locatie na bijvoorbeeld een calamiteit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de nieuwe gebouwen onder de definitie van ‘herbouw’ vallen. Ze komen namelijk op exact dezelfde plaats als de oude gebouwen. Volgens verzoekers is dat niet het geval, omdat het om twee gebouwen gaat, waarbij het linker gebouw breder wordt dan voorheen en het rechter juist smaller. De voorzieningenrechter volgt verzoekers hierin niet. Hoewel het feitelijk juist lijkt dat het ene gebouw breder en het andere smaller wordt, komt het bouwplan als geheel wel op exact dezelfde plek. Nu de omgevingsvergunning is aangevraagd (en verleend) voor beide gebouwen samen ziet de voorzieningenrechter niet in dat voor de vraag of sprake is van nieuw- of herbouw gekeken moet worden naar de panden afzonderlijk. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat niet valt in te zien dat, als de panden ieder individueel op exact dezelfde plaats zouden komen er wel sprake zou zijn van herbouw, terwijl dat niet het geval zou zijn als zij samen bezien op exact dezelfde plek komen. Een dergelijk onderscheid acht de voorzieningenrechter niet zinvol. Volgens de omwonenden is tevens sprake is van overtreding het verbod op woningsplitsing. In het facetbestemmingsplan Woningsplitsing en woningomzetting is woningsplitsing inderdaad niet toegestaan. Volgens de voorzieningenrechter is ook daarvan echter geen sprake. Onder woningsplitsing wordt in artikel 1.9 van het facetbestemmingsplan verstaan: het bouwkundig en/of functioneel splitsen van één woning in twee of meer woningen dan wel het omzetten van één of meer wooneenheden naar één of meer woningen. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval geen sprake is van woningsplitsing. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat uit de genoemde definitie van woningsplitsing volgt dat van splitsing sprake is indien een pand waarin zich eerst één woning bevond, daarna twee of meer woningen worden gerealiseerd. Nu de bestaande panden eerst volledig worden gesloopt en pas daarna de meerdere woningen worden gerealiseerd, kan niet gezegd worden dat één woning wordt gesplitst. Die ene woning is er immers na de sloop niet meer. Daar komt bij dat er geen maximum is gesteld aan het totale aantal woningen/wooneenheden in het plangebied. Tot slot is de voorzieningenrechter voor oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening ter plaatse.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1954
- ABRvS 25 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:563
- ABRvS 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3385
- ABRvS 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2461
- ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1329
- ABRvS 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803
- ABRvS 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2970
- ABRvS 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:490
- ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2833
- ABRvS 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7446