Rb. Limburg 30 september 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:7470
In deze zaak gaat het om de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Daarvoor moet worden beoordeeld of tussen partijen sprake is van wilsovereenstemming over alle essentiële elementen van de arbeidsovereenkomst. Over deze essentialia was gedurende de maanden april en mei 2019 overeenstemming bereikt. Werknemer zou de functie van leraar gaan uitoefenen, fulltime in de bovenbouw, tegen het volgens de cao Primair Onderwijs geldende loon, gedurende 12 maanden (met vooruitzicht op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) en onder het gezag van de werkgever. Dit betekent dat er over de wettelijke elementen overeenstemming was. De werkgever stelt zich op het standpunt dat er géén arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, omdat het tijdig - vóór aanvang van het schooljaar 2019/2020 - beschikken en overleggen van een VOG een voor de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst essentieel element is. De kantonrechter vindt geen steun voor dit standpunt van de werkgever in de door haar gevoerde correspondentie en de wijze waarop partijen zich ten opzichte van elkaar hebben gedragen. Er is dus een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen (er is na aanvang van het schooljaar ook een VOG overgelegd). De loonvordering wordt dan ook toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl