Rb. Limburg 7 augustus 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:5892

De Belastingdienst Toeslagen heeft voor de vierde keer geweigerd om een aanvraag van belanghebbende om een persoonlijke betalingsregeling voor terugbetaling van een teruggevorderde kinderopvangtoeslag toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat de Belastingdienst Toeslagen op zichzelf terecht het standpunt inneemt dat de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld (O/GS) van de belanghebbende, omdat zij had kunnen weten dat zij geen recht had op de toeslag omdat haar voormalige partner niet aan de arbeidseis voldeed. De rechtbank acht echter een intensieve exceptieve toetsing van de toegepaste bepaling van de Uitvoeringsregeling Awir op zijn plaats. In de bijzondere omstandigheden van het geval ziet de rechtbank aanleiding om te oordelen dat de Belastingdienst Toeslagen bij de beoordeling van de vierde aanvraag toetsing aan het O/GS-criterium wegens onevenredigheid achterwege had moeten laten. De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst Toeslagen tot vergoeding van materiële schade in de vorm van loonverlies en van immateriële schade

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken