Rb. Limburg 19 september 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:8465
De verdachte wordt verweten dat hij gedurende de ten laste gelegde periode geen deugdelijke administratie heeft gevoerd. Om tot een veroordeling te kunnen komen moet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte in die periode niet alleen een slechte of geen administratie heeft gevoerd, maar ook (onder meer) dat hij wist dat een faillissement dreigende en onafwendbaar was. Dat is in dit geval niet komen vast te staan. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken. Nu de curator de verdachte als feitelijk leidinggevende heeft verzocht om inlichtingen te verschaffen, maar uit geen enkel stuk blijkt dat de verdachte als gewezen bestuurder wettelijk is opgeroepen door de curator om de gevraagde inlichtingen te verstrekken, zal de rechtbank de verdachte integraal vrijspreken.
De uitspraak op rechtspraak.nl