Rb. Limburg 18 juni 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:5611
Veevoederbedrijf. Verweerder heeft de aangevraagde wijziging voor (geurgevoelige) woningen (in de kern van Maasbracht) geschaard onder een bestaande situatie in het kader van het ILD op de grond dat de geurbelasting, door de Aerox-installatie, niet toeneemt. De rechtbank is echter van oordeel dat de geurvermindering voor zover die door de installatie van de Aerox in de zomer van 2015 heeft plaatsgevonden al was gerealiseerd voorafgaand aan de aanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid. Dat betekent dat voor de beoordeling of sprake is van een nieuwe of een bestaande situatie in de zin van het ILD - de rechtbank beschouwt het ILD als een aanvaardbaar toetsingskader - de geurbelasting als gevolg van de vergunde activiteiten (met een maximale productie van 383.040 ton en een functionerende Aerox-installatie) voorafgaand aan de aanvraag vergeleken moet worden met de geurbelasting als gevolg van de inrichting met een verhoogde productie tot de aangevraagde 750.000 ton. Op grond van het ILD dienen beide berekeningen te worden uitgevoerd volgens de meest recente inzichten (kengetallen, modelkeuzes die voldoen aan NTA9065, enzovoort). Volgens de rechtbank heeft verweerder in het licht van het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat er, met de vergunde uitbreiding van de productie, sprake is van een bestaande situatie in de zin van het ILD waarvoor een aanvaardbaar geurhinderniveau geldt van 1,4 OuE/m³ als 98-percentiel. Verweerder heeft ook nagelaten aan te geven of, in hoeverre en waarom van het ILD is afgeweken. Geurnorm onvoldoende gemotiveerd vastgesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl