Rb. Limburg 17 mei 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:4766
Kort geding, executiegeschil, hoogte eindafrekening werkzaamheden advocaat, twee (onherroepelijke) botsende beslissingen, toewijzing vordering (verbod tenuitvoerlegging / staken tenuitvoerlegging) voor zover executie een bepaald bedrag te boven gaat, dwangsom. Samenvatting: In de onderhavige zaak liggen ter beoordeling voor twee botsende (onherroepelijke) uitspraken (één van het Hof en één van de rechtbank) wat betreft de hoogte van de eindafrekening voor verrichte werkzaamheden van een advocaat. Niet is vast te stellen dat de uitspraak van de rechtbank voorrang heeft boven die van het Hof. Het primair gevorderde (algehele) verbod tot executeren dan wel het staken van de tenuitvoerlegging wordt om die reden afgewezen. Waar het vervolgens om gaat is de wijze van berekening van de rente en proceskostenveroordeling. Volgens de (subsidiaire) herberekening van eiseres, die niet door gedaagde is weersproken, resteert in totaal een verschuldigd bedrag van € 952,12. Gelet hierop heeft gedaagde geen in redelijkheid te respecteren belang bij de voortzetting van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging voor zover dit ziet op een bedrag dat het bedrag van € 952,12 te boven gaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl