Rb. Limburg 21 februari 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:3673
De ouders hadden het voornemen hun kinderen als ongeboren vrucht te laten erkennen tijdens de zwangerschap en daarbij voor de achternaam van de vader te kiezen. Vanwege de premature geboorte en het kort daarna overlijden van de kinderen van partijen heeft de erkenning en de naamskeuze niet kunnen plaatsvinden. De Nederlandse wet biedt niet de mogelijkheid om die erkenning en naamskeuze alsnog te laten plaatsvinden. Hetgeen tot gevolg heeft dat de vader niet als juridisch vader in de geboorte- en overlijdensakten kan worden aangemerkt en ook niet kan worden gekozen voor de geslachtsnaam van de vader. Het ontbreken van die wettelijke mogelijkheid levert een inbreuk op van het recht op family life in de zin van artikel 8 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat alsnog een mogelijkheid moet worden opengesteld om de wensen van de ouders in te willigen, nu in het onderhavige geval het respect voor hun familie- en gezinsleven eist dat het belang van de biologische en sociale werkelijkheid, en de wensen van de ouders dienen te prevaleren boven de lacune in de Nederlandse wet.
De uitspraak op rechtspraak.nl