Rb. Limburg 16 januari 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:325
Kort geding. Wettelijke kader artt. 47, 52 lid 2 onder a en b, 53 lid 1, 53a lid 1 AWR en artt. 10a lid 1 en 11a lid 2 Advocatenwet. Spoedeisend belang. De belastingdienst vordert in kort geding inzage in de geldstromen van de belastingplichtige. De belastingdienst stelt de vordering in tegen de belastingplichtige, tegen haar (voormalige) advocaat en de stichting beheer derdengelden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belastingplichtige inzage moet verstrekken in haar geldstromen. Wat de (voormalige) advocaat van de belastingplichtige betreft is de voorzieningenrechter van oordeel dat die advocaat terecht een beroep op zijn verschoningsrecht en geheimhoudingsplicht heeft gedaan. De stichting derdengelden heeft terecht een beroep gedaan op haar afgeleid recht ingevolge artikel 11a Advocatenwet. De vorderingen tegen de (voormalige) advocaat en de stichting derdengelden worden afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl