Rb. Limburg 11 december 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:11145
Verzoekster, lerares Engels, met een vaste aanstelling van 0,5 fte heeft gedurende vier opeenvolgende jaren een jaarlijkse eindigende aanvulling op haar uren gekregen tot 1 fte. Dit ter vervanging van andere leraren die ziek waren of tijdelijk andere taken uitvoerden. Op de arbeidsovereenkomst is de onderwijs CAO VO van toepassing. Verzoekster stelt dat de zich gedurende de laatste vier jaar opvolgende urenuitbreidingen dienen te worden beschouwd als opeenvolgende arbeidsovereenkomsten in de zin van art. 7:668a BW (de zogenoemde ‘ketenregeling’). Dit zou betekenen dat zij inmiddels recht heeft op een vaste aanstelling met een omvang van 1 fte. De kantonrechter is het hier niet mee eens. Het staat partijen vrij om tijdelijk nadere afspraken te maken over urenuitbreidingen en andere arbeidsvoorwaarden, zonder dat daarmee sprake is van opeenvolgende overeenkomsten in de zin van de ketenregeling. De vorderingen worden dan ook afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl