Rb. Limburg 21 november 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:10515

Eiseres is voornemens om in haar logiesgebouw drie nieuwe logiesverblijven te realiseren. Die verblijven zijn in strijd met de beheersverordening omdat ze buiten de aanduiding ‘hotel’ vallen. Omdat verweerder kennelijk abusievelijk een verleende bouwvergunning niet of niet volledig in de beheersverordening heeft vertaald, heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend mede ter herstel van die fout. Dat betekent dat voor die verblijven dezelfde voorwaarden zouden moeten gaan gelden als voor de bestaande verblijven, waarop de aanduiding ‘hotel’ van toepassing is. Omdat die aanduiding zich in de visie van verweerder niet verdraagt met een onbeperkte verblijfsduur, heeft verweerder een verblijfsduurbeperking van zes maanden als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden. In geschil is de beperking van de verblijfsduur. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt ‘in tijdsduur onbeperkte bewoning’, hetgeen eiseres beoogt, zich niet met ‘nachtverblijf en logies’, zoals het begrip ‘hotel’ in de beheersverordening is gedefinieerd. Nachtverblijf en logies duiden op een verblijf van beperkte duur. De rechtbank acht het verder niet onredelijk dat verweerder voor het vaststellen van de verblijfsduur waarbinnen nog sprake is van ‘logies’ en nog niet van ‘wonen’ aansluiting heeft gezocht bij het moment waarop volgens de Wet brp inschrijving in de basisregistratie personen moet plaatsvinden. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat in de beheersverordening sprake is van een beperking of een uitbreiding van het gebruik ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan en dus bestaat er geen grond om de beheersverordening op dit punt onverbindend te achten. Evenmin slaagt het beroep van eiseres op het vertrouwens- en het rechtzekerheidsbeginsel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken