Rb. Limburg 26 september 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:9137
Het gaat in deze zaak om de overgang van onderneming in faillissement na prepack. De kantonrechter oordeelt dat de faillissementsprocedure was ingeleid met het oog op doorstart van de failliet en niet (louter) was gericht op liquidatie van het vermogen. Aldus behouden de beschermingsregels van artikel 3 en 4 van de Richtlijn 2001/23/EG – in nationale wetgeving verankerd in artikel 7:662 BW e.v. – voor werknemers in geval van een overgang van onderneming hun werking. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat er ook sprake was van een overgang van onderneming. De opzegging van de arbeidsovereenkomsten door de curator dateert echter van voor de overgang van onderneming. Mogelijk dat die opzegging in strijd is gebeurd met het bepaalde in artikel 7:670 lid 8 BW (oud) maar door de werknemers is de vernietigbaarheid van de opzegging niet (tijdig) ingeroepen. De conclusie is dat de werknemers voor de duur van de opzegtermijn mee over zijn gegaan op de nieuwe onderneming en over die periode een loonaanspraak hebben.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 233 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 237 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1 Fw
- Artikel 6:162 BW6
- Artikel 6:248 BW6
- Artikel 7:625 BW7
- Artikel 7:662 BW7
- Artikel 7:663 BW7
- Artikel 7:665 BW7
- Artikel 7:666 BW7
- Artikel 7:670 BW7
- Artikel 7:680a BW7
- Artikel 3:305a BW3