Rb. Limburg 18 september 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:9041

De rechtbank acht zich bevoegd van de vordering van de officier van justitie kennis te nemen. Artikel 3:14, zesde lid, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (afgekort: WETS) bepaalt dat in afwijking van artikel 15i, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafrecht, bevoegd is de rechtbank in het arrondissement waar toezicht wordt gehouden op de naleving van de aan de veroordeelde opgelegde verplichtingen. De rechtbank gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk, te weten voor de duur van 120 dagen, moet worden ondergaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen