Rb. Limburg 28 augustus 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:8143

In conventie: Executiegeschil (artikel 438 lid 2 Rv). Geen misbruik van het recht tot executie vastgesteld. Ten aanzien van het gelegde beslag is niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht (artikel 705, lid 2 Rv). In reconventie: Ten aanzien van de vordering dat in kort geding wordt vastgesteld dat dwangsommen zijn verbeurd: Onder omstandigheden brengt een doelmatige procesvoering mee dat ook de voorzieningenrechter die in een eerder kort geding ook de dwangsom heeft opgelegd, op de daartoe strekkende vordering (die is gegrond op art. 611c Rv) het bedrag der verbeurde dwangsom(men) kan vaststellen. Deze uitspraak draagt dan wel een voorlopig karakter. Van de spoedeisendheid van de vordering is echter niet gebleken. In het door de deurwaarder aanhangig gemaakt kort geding op grond van artikel 438 lid 4 Rv: De formulering van de raadsman van geëxecuteerden in een tweetal brieven en e-mail gericht aan de deurwaarder mogen voor de deurwaarder een reden vormen daarin het opleggen van restricties te lezen, terwijl de rechtbank in de beschikking van 15 mei 2018 heeft bepaald dat de geëxecuteerden hun medewerking dienen te verlenen aan de executie. Het opleggen van restricties en voorwaarden past daar niet bij. De toon van de brieven past daar naar het oordeel van de voorzieningenrechter eveneens niet bij. De vermelding van de aangezegde aansprakelijkstelling werpt een belemmering voor de deurwaarder op om zijn werk vrijelijk uit te voeren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken