Rb. Limburg 29 augustus 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:8105

Wnb vergunning; aanvraag voor 1 juli 2015. Voor zover is betoogd dat aan het PAS onmiddellijke werking dient toe te komen, overweegt de rechtbank dat door de wetgever, weliswaar niet in het oorspronkelijke wetsontwerp maar via een amendement, overgangsrecht in het leven is geroepen en aan het PAS geen onmiddellijke werking is toegekend. De rechter kan in de beoordeling daarvan niet treden op grond van artikel 120 van de Grondwet, tenzij zou moeten worden geconcludeerd dat het overgangsrecht als zodanig niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Voor die conclusie is echter geen steun te vinden in hetgeen eiseressen hebben aangevoerd en de rechtbank ziet daarvoor ook overigens geen grond. Verweerder heeft in aanmerking genomen dat beweiding niet is aangevraagd en er dus vanuit moet worden gegaan dat alle dieren op stal staan met een aldaar meegenomen maximale ammoniakemissie. Als beweiding zou zijn aangevraagd zou op de berekende emissie een reductie zijn toegepast van 5%. Dat betekent dat verweerder is uitgegaan van een worst-case-scenario en dat de feitelijke emissie en de depositie op de betreffende Natura 2000-gebieden niet is onderschat. De rechtbank is van oordeel dat met het niet meenemen van de gevolgen van beweiding in het onderhavige geval de natuurdoelstellingen geen geweld is aangedaan. Het in aanmerking nemen van de gevolgen van beweiding kan immers niet tot meer ammoniakemissie leiden dan het geval is in de stalsituatie die thans door verweerder in de vergunningverlening is betrokken. Bovendien is hetgeen door verweerder in aanmerking is genomen in overeenstemming met de ongewijzigde bedrijfsvoering die op 1 maart 2004 planologisch en milieutechnisch is vergund; voor die vergunde situatie maakte het binnen stallen dan wel buiten weiden geen verschil.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken