Rb. Limburg 20 juli 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:6990

Werkgever – een wereldspeler op het gebied van ontwikkeling en productie van medische hulpmiddelen – verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer. Primair op de d-grond, subsidiair op de g-grond en meer subsidiair op de h-grond als bedoeld in 7:669 lid 3 BW. Werknemer is werkzaam in de functie van senior director customer care, een zeer hoge positie binnen de onderneming. Over de ‘what’ (de door werknemer geboekte resultaten) zijn partijen het eens dat die zeer goed zijn, maar werkgever is van mening dat de manier waarop die resultaten worden bereikt (de ‘how’) niet strookt met hetgeen zij van een senior director customer care verwacht. De kantonrechter oordeelt dat de ongeschiktheid van de werknemer niet is komen vast te staan. Omdat niet is gebleken dat werknemer tijdig door werkgever van de volgens werkgever bestaande ongeschiktheid in kennis is gesteld en in de gelegenheid is gesteld om zijn functioneren te verbeteren, is deze grond ook om deze reden niet voldragen. G-grond en h-grond leveren ook geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst op. Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen. Aan beoordeling van vraag of werknemer recht heeft op uitbetaling van zogeheten LTI’s (Long Term Incentives) wordt niet toegekomen, nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet wordt ontbonden. Datzelfde geldt voor de (deels voorwaardelijke) tegenverzoeken van werknemer.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen