Rb. Limburg 29 mei 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4968

In de uitvoering van de verordening is het tarief van de gebruikersbelasting niet-woning omgewisseld met het tarief van de eigenarenbelasting woning, waardoor voor woningeigenaren een te hoog tarief (0,1303% in plaats van 0,1222%) en voor gebruikers van niet-woningen een te laag tarief (0,1222% in plaats van 0,1303%) is gehanteerd. De te veel geheven eigenarenbelasting woning is gecorrigeerd en de te weinig geheven gebruikersbelasting niet-woning is ongemoeid gelaten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder vanwege onverbindendheid van de verordening de volledige aanslag onroerende zaakbelasting (woning en niet-woning) had moeten vernietigen. Dat in het raadsbesluit een ander tarief is vermeld dan de raad ten tijde van de vergadering voor ogen had, kan aan de rechtsgeldigheid van het tot stand gekomen raadsbesluit niet afdoen. De verordening is rechtsgeldig tot stand gekomen en verweerder heeft de aan eiser opgelegde aanslag terecht hierop gebaseerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de verordening geheel of gedeeltelijk onverbindend te verklaren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen