Rb. Limburg 29 maart 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:3520
Veroordeling tot een gevangenisstraf van 46 maanden wegens medeplegen van overtreding van artikel 2C van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie (ter zake van synthetische drugs). Overschrijding redelijke termijn: strafkorting van 5%.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03/864014-13
Tegenspraak (gemachtigde raadsman)
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2018
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens verdachte] ,
wonende te [adresgegevens verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.W.A.P. Doesburg, advocaat kantoorhoudende te Breda.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 15, 17 en 18 januari 2018. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 15 maart 2018.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
Feit 1: samen met anderen meermalen MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of amfetamine heeft verhandeld. (zaaksdossier 1)
Feit 2: samen met anderen 28 kilogram amfetamine, 33 kilogram MDA en/of MDMA en/of MDEA en 270 gram cocaïne heeft verhandeld dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad op het adres [adres 1] en/of [adres 2] te Eindhoven. (zaaksdossier 1)
Feit 3: zich in de periode van juni 2012 tot en met 1 oktober 2013 schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die het overtreden van de Opiumwet als oogmerk had. (zaaksdossier 1)
3 De voorvragen
Met betrekking tot feit 1 heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek tot partiële nietigheid van de dagvaarding gedaan. Indien de tenlastelegging ziet op meer dan de geobserveerde deals op 15 februari en 4 maart 2013, is de feitsomschrijving op dit punt te vaag en de dagvaarding daarmee onvoldoende duidelijk: er staat feitelijk niet meer dan dat [verdachte] tussen juni 2012 en oktober 2013 de Opiumwet heeft overtreden.
Desgevraagd heeft de officier van justitie aangegeven dat de tenlastelegging doelde op deals die zijn geobserveerd op 15 februari en 4 maart 2013. Nu de steller van de tenlastelegging de strekking hiervan uitdrukkelijk beperkt heeft tot deze twee gebeurtenissen, kan de rechtbank niet anders dan de tenlastelegging zo te lezen. Zij komt daardoor aan het voorwaardelijk verweer van partiële nietigheid niet toe.
De rechtbank stelt dan ook vast dat de dagvaarding geldig is. Er zijn voorts geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan, de rechtbank is bevoegd is en er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier is hetgeen is tenlastegelegd onder de feiten 1 tot en met 3 wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 1 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat, hoewel er geen concrete afvangacties zijn gedaan, voldoende is gebleken dat [verdachte] zich bezig heeft gehouden met de handel in synthetische drugs. De officier van justitie wijst in dit kader met name op de Blackberry-communicatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] .
Voorts acht de officier van justitie bewezen dat de bergingen van de panden aan de [adres 1] en de [adres 2] te Eindhoven in gebruik waren bij [medeverdachte 2] en [verdachte] , zodat zij beiden verantwoordelijk worden gehouden voor wat er tijdens de actiedag in deze panden is aangetroffen.
De officier van justitie acht tot slot bewezen dat [verdachte] in de tenlastegelegde periode heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Uit zaaksdossier 1E volgt dat [verdachte] met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] was betrokken bij de handel in verdovende middelen. Uit de Blackberry van [medeverdachte 1] blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 2] allerlei klussen voor [medeverdachte 1] deden. Zij produceerden en verkochten verdovende middelen, verrichtten betalingen voor transacties, fungeerden als chauffeur en zo voort. Uit de onderschepte communicatie volgt bovendien dat [verdachte] wist dat de organisatie een misdadig oogmerk had.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van al hetgeen aan hem is tenlastegelegd.
Ten aanzien van feit 1 merkt de verdediging op dat niets bekend is over soort en hoeveelheid materiaal. Met PGP-berichten, waar de officier van justitie haar standpunt op baseert, dient bovendien terughoudend te worden omgegaan. De PGP-berichten zijn niet (althans onvoldoende) te herleiden tot [verdachte] . Voorts is onbekend welke handelingen er werden verricht: welke deelnemingsvorm? Het enkele feit dat gesprekken betrekking lijken te hebben op strafbare feiten en onaannemelijk zou zijn dat alle besproken transacties niet door zouden zijn gegaan, maakt dit niet anders. Dat is slechts de overtuiging, die slechts de schijn van betrokkenheid van [verdachte] zou kunnen bewijzen en niet de betrokkenheid zelf.
Ten aanzien van de stashpanden (feit 2) merkt de verdediging op dat van verkoop, afleveren, verstrekken en vervoeren niets blijkt uit het dossier. Nergens blijkt uit dat [verdachte] gedurende de tenlastegelegde periode (af en toe) op dit adres verbleef, er (regelmatig) op bezoek kwam of daar zelfs een tijdje heeft gewoond. Het lijkt er juist veel meer op dat hij er al geruime tijd niet meer kwam. [verdachte] regelde geen huur of betalingen, er zijn geen spullen van hem aangetroffen en hij heeft zich gedurende de tenlastegelegde periode niet voorgedaan als de geregistreerde bewoner van (een van) beide panden.
Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat het weliswaar mogelijk is om deel te nemen aan een criminele organisatie zonder feitelijk te zijn betrokken bij de door of ten behoeve van de organisatie gepleegde strafbare feiten, maar dat op grond van het dossier niet is te bewijzen dat [verdachte] heeft bijgedragen aan het oogmerk van de door het Openbaar Ministerie gestelde criminele organisatie. Op geen enkele wijze is vast te stellen dat [verdachte] met voldoende intensiteit en duur een bijdrage heeft geleverd of ondersteuning heeft geboden aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het misdadig oogmerk van de tenlastegelegde criminele organisatie. De verdediging verzoekt daarom ook vrijspraak voor feit 3.
De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl