Rb. Limburg 28 december 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:12400
In geschil is de waardering van een bankgebouw. Vanwege een motiveringsgebrek is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen in stand blijven. Verweerder kan namelijk worden gevolgd in zijn standpunt dat de investering van de huurder (eiseres) in de onroerende zaak, bij wijze van een eenmalige bouwbijdrage aan de verhuurder, de waarde van de onroerende zaak vermeerdert en daarom leidt tot een hogere huurwaarde. Verder is in vijf andere zaken in geschil de hoogte van de proceskostenvergoeding in beroep. Eiseres heeft haar beroepen ingetrokken en verzocht om verweerder met toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de proceskosten te veroordelen. Omdat op de zitting voor alle zaken enkel nog de proceskostenvergoeding aan de orde was en op dat moment door het intrekken van de beroepen de beroepsfase was geëindigd en een nieuwe fase in de behandeling van de beroepen is ontstaan, heeft de rechtbank het gewicht voor die proceshandeling op 0,5 (licht) bepaald en heeft zij voor die proceshandeling samenhang aangenomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl