Rb. Limburg 24 oktober 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:10149
Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werkneemster met een wsw-indicatie. Omdat er onduidelijkheid is over een door het UWV gecorrigeerd deskundigenoordeel, wordt werkgever bij tussenbeschikking opgedragen om een nieuw deskundigenoordeel bij het UWV aan te vragen. Nadat dat deskundigenoordeel is overgelegd, partijen nog aktes hebben genomen en stukken in het geding hebben gebracht en de mondelinge behandeling is voortgezet, geeft de kantonrechter een eindbeschikking. Daarin wordt de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:686 BW ontbonden: er is sprake van een ernstige wanprestatie van werkneemster. Doordat die ernstige wanprestatie gelijk kan worden gesteld met ernstig verwijtbaar handelen, heeft werkneemster - ondanks het feit dat het hier een kwetsbare werkneemster met wsw-indicatie betreft – geen recht op een transitievergoeding. Een door de werkgever ingestelde nevenvordering wegens onverschuldigd betaald loon wordt afgewezen. Het terugvorderen daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. Werkneemster mag niet de dupe worden van een fout van het UWV.
De uitspraak op rechtspraak.nl