Rb. Limburg 29 mei 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:4850
Werknemer is in dienst bij DES, de ‘personeels-bv’ voor executives van DSM. Gedurende 11 jaar is hij werkzaam als Vice President Finance & Control DFI, nadat hij daarvoor al vanaf augustus 1985 bij (rechtsvoorgangsters van) DES andere functies heeft vervuld. De activiteiten van DFI worden met ingang van 1 augustus 2015 ondergebracht in een nieuwe joint venture. Vanaf 1 augustus tot en met 31 december 2015 blijft werknemer werkzaam in deze functie om de transitie in goede banen te leiden, ditmaal op basis van een detacheringsovereenkomst. Nadat de detachering is afgelopen, wordt vanaf 1 januari 2016 zonder succes gezocht naar een nieuwe functie voor werknemer binnen de DSM-groep. Nadat werkgever tevergeefs aan het UWV toestemming heeft gevraagd om de arbeidsovereenkomst met werknemer wegens bedrijfseconomische redenen (de a-grond) op te zeggen, wordt nu aan de kantonrechter gevraagd om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Ditmaal op de a-grond en de h-grond als bedoeld in art. 7:669 lid 3 BW. Lid van Raad van bestuur van DSM wordt gehoord over de vraag of hij werknemer een nieuwe functie binnen de DSM-groep heeft gegarandeerd. Dat is niet komen vast te staan: DSM heeft slechts een inspanningsverplichting (en geen resultaatsverplichting) op zich genomen om werknemer binnen DSM te herplaatsten. Onder verwijzing naar de Ontslagregeling wordt geoordeeld dat zowel de functie die werknemer tot 1 augustus 2015 bekleedde (Vice President Finance & Control DFI), als de functie die hij aansluitend tot en met 31 december 2015 op detacheringsbasis vervulde (Vice President Finance DFI), uniek zijn. Het gaat daarbij om de uitwisselbaarheid van functies, niet van medewerkers. Er is ook geen mogelijkheid tot herplaatsing van werknemer in een passende functie binnen de DSM-groep, nu die functies niet op korte termijn (eventueel door scholing) passend te maken zijn. Werkgever heeft voldaan aan de verplichting om te onderzoeken of een passende functie voor werknemer binnen de DSM-groep voorhanden is of binnen een redelijke termijn beschikbaar zal zijn. Geconcludeerd wordt dat er een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7:671b lid 1, onderdeel b, BW, in verbinding met art. 7:669 lid 1 en 3, onderdeel a, BW is. Aan een beoordeling van de h-grond wordt daardoor niet toegekomen. Partijen zijn het oneens over de hoogte van de transitievergoeding. Kantonrechter beslecht dit geschil aan de hand van het ‘Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding’ en de ‘Regeling looncomponenten en arbeidsduur’. Billijke vergoeding wordt afgewezen: er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever. Schadevergoeding wegens vervallen long term management opties wordt eveneens afgewezen. Change in control bonus is wel toewijsbaar, evenals de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen.
De uitspraak op rechtspraak.nl