Rb. Limburg 10 april 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:3200

Verweerder heeft aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een garage. Het perceel waarop de woning en de garage zijn gelegen, grenst met drie zijden aan openbare wegen. Op grond van het bestemmingsplan dienen bijgebouwen op een afstand van tenminste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd. De rechtbank is van oordeel dat het bestemmingsplan en de Bouwverordening in de onderhavige situatie, waar sprake is van meer dan één naar de weg gekeerde gevel, geen duidelijkheid verschaffen over de vraag waar de voorgevel is gelegen. In dat geval is de feitelijke situatie doorslaggevend. Op grond van alle feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de voorgevel van het hoofdgebouw aan (straat A) ligt. Weliswaar zijn de voordeur en de brievenbus aan (straat B) gelegen, maar de hoofdontsluiting van het perceel, die leidt naar de voordeur en brievenbus aan (straat B), bevindt zich duidelijk aan de zijde van (straat A). De woning heeft ook dat adres. Voorts acht de rechtbank van belang dat de gevel, de dakopbouw en het aanzicht van het hoofdgebouw aan de zijde van (straat A) er eveneens op duiden dat deze zijde als voorzijde dient te worden aangemerkt. Dat is anders aan de zijde van (straat B) waar voor de woning een hekwerk en de garage zijn gelegen. Die zijde van de woning is feitelijk ook niet, anders dan via (straat A) bereikbaar. Nu de voorgevel naar het oordeel van de rechtbank aan de zijde van (straat A) ligt, wordt voldaan aan het bepaalde in het bestemmingsplan. Voorts biedt hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met redelijke eisen van welstand. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken