Rb. Limburg 10 maart 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:2205

Betreft diverse beroepen van omwonenden en bedrijven tegen een omgevingsvergunning tweede fase die op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, en c, in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is verleend voor het bouwen van een mestscheidingsinstallatie op een bedrijventerrein. Ten aanzien van de belanghebbendheid acht de rechtbank naast het nabijheids- en zichtcriterium, van belang of eisers ter plaatse van hun woning of perceel feitelijke (milieu)gevolgen van enige betekenis van de inrichting kunnen ondervinden. De rechtbank is van oordeel dat één in de nabijheid gelegen bedrijf belanghebbende is, omdat zij niet irreëel acht dat dit bedrijf, gezien de kwetsbaarheid van het bedrijfsproces, imago- en economische schade kan leiden door de vestiging van de mestscheidingsinstallatie. Ten aanzien van de beroepsgronden die zien op de ruimtelijke inpasbaarheid van de mestscheidingsinstallatie qua milieugevolgen, overweegt de rechtbank dat voor de installatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo een omgevingsvergunning eerste fase verleend, die inmiddels onherroepelijk is. Verder laat het geldend bestemmingsplan ter plaatse bedrijven in een (nog) hogere milieucategorie, die wel in de staat van bedrijven zijn vermeld, rechtstreeks toe. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat verweerder bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen niet in redelijkheid van het bestemmingsplan heeft kunnen afwijken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken