Rb. Limburg 22 december 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:12578

Omgevingsvergunning voor het milieuneutraal veranderen of veranderen van de werking van de inrichting. Met de wijziging van het Activiteitenbesluit per 1 januari 2016 heeft de wetgever de keuze gemaakt om algemene geurvoorschriften op te nemen in het Activiteitenbesluit, zodat deze voorschriften niet meer behoeven te worden opgenomen in een omgevingsvergunning als thans in geding. Dat betekent dat verweerder in dit geval niet bevoegd was om voorschriften met betrekking tot lucht en geur te verbinden aan een omgevingsvergunning die is aangevraagd na 1 januari 2016. In de nu voorliggende beroepen kan niet aan de orde komen of wordt voldaan aan de in artikel 2.7a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gestelde norm dat de geurhinder moet worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau. Voor een besluit omtrent maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit geldt een aparte procedure. De rechtbank concludeert dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.8a van het Activiteitenbesluit en dat voorschrift 8.5 uit de oprichtingsvergunning van 5 juni 2008 als maatwerkvoorschrift geldt tot 1 januari 2021. Evenwel is, anders dan Bakkersland heeft betoogd, toetsing van de in geding zijnde verandering aan dit maatwerkvoorschrift niet aan de orde. De rechtbank is van oordeel dat het maatwerkvoorschrift geldt voor de inrichting zoals die is vergund vóór 1 januari 2016, maar niet voor de aangevraagde nieuwe activiteiten betreffende zetmeelproducten uit de aardappelverwerkende industrie. Bij vergunningverlening voor deze inrichting na 1 januari 2016 is immers geen plaats meer voor de beoordeling van geuraspecten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken