Rb. Limburg 10 november 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:9615

Bewezenverklaring van het medeplegen van economische uitbuiting in de zin van artikel 273f lid 1 sub 1, sub 4 en sub 6 Sr. Tevens bewezenverklaring van het medeplegen van valsheid in geschrifte. De economische uitbuiting en valsheid in geschrifte vonden plaats binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. Schending van de redelijke termijn. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 75.000,-.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 04/990004-12
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 november 2016
in de strafzaak tegen
[Verdachte] ,
gevestigd [Adres vestiging] ,
postadres: [Postadres]
ter terechtzitting vertegenwoordigd door [Hoofdverdachte] , geboren [Geboortegegevens] , wonende [Adres verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.A.W. Nillesen, advocaat kantoorhoudende te
's-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 21 maart 2016, 24 maart 2016,

22 september 2016 en 23 september 2016. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting vervolgens gesloten op de zitting van 28 oktober 2016.

De raadsman en [Hoofdverdachte] , de rechtspersoon vertegenwoordigend, zijn op de zittingen van 21 maart 2016, 24 maart 2016, 22 september 2016 en 23 september 2016 verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: zich samen met een ander of anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel (in de vorm van arbeidsuitbuiting) van 16 Poolse champignonpluksters;

Feit 2: samen met een ander of anderen meermalen valsheid in geschrift heeft gepleegd ter zake van een aantal salarisspecificaties van Poolse medewerksters;

Feit 3: samen met een ander of anderen meermalen valsheid in geschrift heeft gepleegd ter zake van (delen van) de bedrijfsadministratie van [Verdachte] en/of [Verdachte] .

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in de weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld - zoals vervat in het door haar overgelegde schriftelijk requisitoir met bijlagen - dat de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

3.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter zake van alle tenlastegelegde feiten de vrijspraak van de verdachte bepleit.
Ter zake van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake was van uitbuiting. De geselecteerde getuigenverklaringen betreffen generaliserende negatieve uitlatingen en geven daarmee een vertekend beeld over de verdachte. De werkomstandigheden van de pluksters waren goed, de duur van de werkweek was niet standaard te lang en er heeft geen onderbetaling plaatsgevonden. Indien de rechtbank bewezen acht dat er soms langer dan 8 uur per dag werd gewerkt, dan compenseren volgens de raadsman de andere factoren dermate dat er geen sprake was van mensenrechtenschendingen.
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de Poolse champignonpluksters zich in een kwetsbare positie bevonden, alsook dat de verdachte deze door dwang, fraude, misleiding of misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht werknemers heeft geworven, vervoerd of gehuisvest. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de werkdagen niet dermate lang waren zoals de pluksters beweren en dat de arbeidsomstandigheden naar behoren waren. Ondanks de afroommodules is er nooit minder betaald dan wettelijk voorgeschreven, zijnde 40 uur per week op basis van het minimumloon. De verdachte heeft een integer beleid gevoerd met betrekking tot de aanwerving, het vervoeren en de huisvesting. De verdachte heeft evenmin voordeel getrokken uit de uitbuiting van de in de tenlastelegging genoemde personen. Uit de door de raadsman ter zitting overgelegde IPS-overzichten, afkomstig uit het tijdregistratiesysteem van ‘ [Verdachte] ’, volgt dat er geen extreem lange werkdagen werden gemaakt. Volgens de raadsman kan dit worden afgeleid uit de werktijden van de unitleidsters.
Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het oogmerk van de verdachte in de zin van de ‘sub 1-variant’, in welk verband de raadsman op een aantal contra-indicaties heeft gewezen. Evenmin is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte in de zin van de ‘sub 4-variant’ en de ‘sub 6-variant’.
Ter zake van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman aangevoerd dat het opzet van de verdachte niet kan worden bewezen. De gedragingen van de medeverdachte [Medeverdachte 3] pasten niet binnen de normale werkzaamheden van de rechtspersoon [Verdachte] Er was sprake van zelfstandig handelen van medeverdachte [Medeverdachte 3] . De rechtspersoon was hiervan niet op de hoogte. Om deze reden was er geen opzet op het plegen van valsheid in geschrift. Ook het voorwaardelijk opzet van de verdachte kan niet worden bewezen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit het procesdossier volgt dat allerlei professionele derden nooit de afroommodules hebben ontdekt, waaruit blijkt dat de kans op ontdekking van de modules niet aanmerkelijk was. Om deze reden dient de verdachte tevens van de feiten 2 en 3 te worden vrijgesproken.

3.3 Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1
Inleiding
In onderhavige zaak dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de 16 Poolse werknemers, zoals genoemd in de tenlastelegging, door de verdachte en diens mededaders economisch zijn uitgebuit in de zin van artikel 273f lid 1 sub 1, sub 4 of sub 6 Sr, door het verrichten van een of meer van de in totaal 25 gedragingen jegens deze Poolse werknemers. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op de tekst van de tenlastelegging, niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of grote groepen Poolse champignonpluksters door de verdachte en diens mededaders zijn uitgebuit.
Algemene overwegingen
Op 27 oktober 2009 (ECLI:HR:2009:BI0799) heeft de Hoge Raad een arrest gewezen ter zake van ‘overige uitbuiting’, meer in het bijzonder: economische uitbuiting, in de zin van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De Hoge Raad heeft in dit arrest onder meer overwogen dat de vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van artikel 273f Sr niet in algemene termen te beantwoorden is, maar sterk verweven is met de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor een betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.
Partiële vrijspraak
Partiële vrijspraak ten aanzien van uitvoeringshandelingen 12, 15 en 22
De rechtbank dient zich in dit verband te buigen over de vraag of de aan de verdachte tenlastegelegde uitvoeringshandelingen, genummerd van 1 tot en met 25, voldoende relevant zijn bij de beantwoording van de vraag of er in casu sprake is van economische uitbuiting. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat zij, gelet op de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven, de uitvoeringshandelingen genummerd 12, 15 en 22 onvoldoende relevante factoren acht bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van economische uitbuiting.
De rechtbank overweegt ter zake van de uitvoeringshandeling ad 15, te weten: (hoge) kosten, te weten 7,50 euro per dag voor huisvesting op het loon van voornoemde perso(o)n(en) ingehouden, dat deze enkel ziet op het in rekening brengen van kosten voor huisvesting. De rechtbank acht het niet relevant dat de werkgever aan de 16 genoemde Poolse werknemers dergelijke kosten in rekening brengt, dan wel of de hoogte daarvan al dan niet redelijk is, maar enkel of deze kosten een verplichtend karakter dragen. Nu onder uitvoeringshandeling ad 15 geen verplichtend karakter van deze huisvestingskosten is tenlastegelegd acht de rechtbank deze gedraging onvoldoende relevant bij de beantwoording van de vraag of er sprake was van economische uitbuiting.
Ter zake van de uitvoeringshandeling ad 22, te weten: maaltijden verstrekt van onvoldoende kwaliteit, overweegt de rechtbank dat op basis van het procesdossier niet in objectieve zin kan worden vastgesteld of de door ‘ [Verdachte] ’ aangeboden maaltijden al dan niet van onvoldoende kwaliteit waren. Om deze reden is deze gedraging onvoldoende relevant bij de beantwoording van de vraag of er sprake was van economische uitbuiting.
Dit betekent dat de rechtbank de verdachte partieel zal vrijspreken ter zake van de uitvoeringshandelingen die aan hem onder feit 1 onder de nummers 12, 15 en 22 zijn tenlastegelegd.
Ten aanzien van de overige tenlastegelegde uitvoeringshandelingen overweegt de rechtbank dat deze, indien bewezen, wellicht op zichzelf beschouwd niet relevant zijn bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van economische uitbuiting, maar dat zij in onderlinge samenhang bezien, wél indicatief zijn voor economische uitbuiting.
Partiële vrijspraak ten aanzien van aantal werkne(e)m(st)ers
De werkneemsters [Slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Op grond van de getuigenverklaringen van de werknemers [Slachtoffer 1] (G-002) en [slachtoffer 2] (G-003) stelt de rechtbank vast dat zij buiten de ten laste gelegde periode werkzaam waren voor ‘ [Verdachte] ’. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte ter zake van deze twee werkneemsters partieel vrijspreken van het aan hem onder feit 1 tenlastegelegde feit.
De werkneemster [Slachtoffer 3]
Op 20 juli 2012 heeft [Slachtoffer 3] een getuigenverklaring afgelegd. Uit deze verklaring volgt dat [Slachtoffer 3] gedurende de tenlastegelegde periode werkzaam is geweest voor ‘ [Verdachte] ’, alsook dat zij op enig moment van plukster is doorgegroeid naar unitleidster. De rechtbank constateert dat [Slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij ‘tot drie jaar geleden zelf champignons heeft geplukt’, hetgeen betekent dat zij in ieder geval tot ongeveer 20 juli 2009 champignonplukster is geweest. Daarmee vallen de werkzaamheden van [Slachtoffer 3] als champignonplukster binnen de aan de verdachte tenlastegelegde periode. Enkel haar verklaring over gedraging 2, te weten: gedurende gemiddeld 10 tot 13 uur per dag laten werken, waarbij de eindtijd van de werkdag nooit van tevoren vaststond, is echter onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van een van de aan de verdachte ten laste gelegde varianten van artikel 273f Sr jegens deze werkneemster. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het aan hem onder feit 1 tenlastegelegde ter zake van de werkneemster [Slachtoffer 3] (G-004).
De werkne(e)m(st)ers [Slachtoffer 6] , [Slachtoffer 7] , [Slachtoffer 11] en [Slachtoffer 15]
De getuige [Slachtoffer 6] heeft op 30 mei 2011 en 8 juni 2012 verklaringen afgelegd. Zij heeft verklaard dat zij van 10 februari 2010 tot en met 12 mei 2010 als champignonweegster heeft gewerkt voor ‘ [Verdachte] ’.
De getuige [Slachtoffer 7] heeft op 30 mei 2011 en 8 juni 2011 verklaringen afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij vanaf februari 2010 naar Nederland is gekomen en bij ‘ [Verdachte] ’ in dienst is getreden als sorteerder en als heftruckchauffeur. De getuige [Slachtoffer 7] is ongeveer drie maanden voor ‘ [Verdachte] ’ werkzaam geweest.
De getuige [Slachtoffer 15] heeft op 18 september 2012 en 10 oktober 2012 verklaringen afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij vanaf 15 maart 2007 naar Nederland is gekomen en bij ‘ [Verdachte] ’ in dienst is getreden als fustmedewerker, inhoudende dat hij voorbereidingen trof voor het productieproces binnen het bedrijf en dat hij later werkzaam is geweest als heftruckchauffeur. Op 3 juni 2012 heeft deze getuige zijn werkzaamheden voor ‘ [Verdachte] ’ gestaakt.
Uit de verklaringen van [Slachtoffer 6] , [Slachtoffer 7] en [Slachtoffer 15] volgt niet dat zij op enig moment voor ‘ [Verdachte] ’ werkzaam zijn geweest als champignonplukker. Nu de tenlastelegging nadrukkelijk ziet op de economische uitbuiting van Poolse champignonpluksters, vallen deze getuigen niet onder de reikwijdte van deze tenlastelegging. De rechtbank overweegt in dit verband dat het ‘uitstrepen’ van de woorden ‘champignons laten plukken’ onder gedraging 1 zou leiden tot denaturering van de tenlastelegging. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van de aan hem onder feit 1 tenlastegelegde varianten van artikel 273f Sr jegens deze werknemers.
De werkneemster [Slachtoffer 11]
De getuige [Slachtoffer 11] heeft op 13 februari 2012, 29 februari 2012 en 7 maart 2012 verklaringen afgelegd. Zij heeft verklaard dat zij van 2008 tot 2 maart 2011 voor ‘ [Verdachte] ’ heeft gewerkt. Zij heeft verklaard dat zij op enig moment werkzaam is geworden als unitleidster, doch niet wanneer zij als unitleidster aan de slag is gegaan. Ook uit de door haar bijgehouden agenda kan de rechtbank dit niet opmaken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of [Slachtoffer 11] binnen de tenlastegelegde periode als champignonplukster heeft gewerkt. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het aan hem onder feit 1 tenlastegelegde ter zake van de werkneemster [Slachtoffer 11] (G-014).
De werkneemster [Slachtoffer 13]
Op 28 juni 2012 en op 13 augustus 2012 heeft de getuige [Slachtoffer 13] twee korte verklaringen afgelegd. Zij heeft op 28 juni 2012 verklaard dat zij op 22 januari 2009 voor ‘ [Verdachte] ’ werkzaam is geworden. Zij heeft niet verklaard over de omstandigheden van haar werkzaamheden of over de in de tenlastelegging genoemde gedragingen. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het hem onder feit 1 tenlastegelegde ter zake van de werkneemster [Slachtoffer 13] .
De werkneemster [Slachtoffer 14]
Op 7 augustus 2012 heeft [Slachtoffer 14] als getuige een verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat zij op 29 april 2011 als champignonplukster voor [Verdachte] werkzaam is geworden. De werkzaamheden van [Slachtoffer 14] als champignonplukster vallen daarmee binnen de aan de verdachte tenlastegelegde periode. Hoewel de getuige heeft verklaard over enkele gedragingen, zoals genoemd in de tenlastelegging onder de nummers 1 tot en met 25, acht de rechtbank deze verklaringen te summier en tevens onvoldoende concreet om te komen tot een bewezenverklaring van een van de onder feit 1 aan de verdachte ten laste gelegde varianten van artikel 273f Sr jegens deze werknemer. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het aan hem onder feit 1 tenlastegelegde ter zake van de werknemer [Slachtoffer 14] (G-028).
De werkneemster [Slachtoffer 16]
Op 27 september 2012 en 8 oktober 2012 heeft [Slachtoffer 16] als getuige verklaringen afgelegd. Zij heeft verklaard dat zij van maart 2008 tot en met februari 2010 voor ‘ [Verdachte] ’ heeft gewerkt als champignonplukster, welke periode gedeeltelijk binnen de tenlastegelegde periode valt. Zij heeft bovendien verklaard dat zij werkzaam is geweest in de kantine op een van de pluklocaties van ‘ [Verdachte] ’. De getuige [Slachtoffer 16] heeft echter niet verklaard wanneer zij als kantinemedewerkster werkzaam is geworden, noch of zij tegelijkertijd nog werkzaamheden als champignonplukster heeft verricht. Hoewel zij uitvoerig heeft verklaard over haar werving en huisvesting, alsook over haar arbeidsomstandigheden en de duur daarvan, heeft zij deze niet voldoende in tijd geduid. Hoewel de rechtbank het niet onaannemelijk acht dat de excessen, waarover deze getuige heeft verklaard, hebben plaatsgevonden terwijl zij als champignonplukster werkzaam was binnen de tenlastegelegde periode was, kan de rechtbank dit op basis van de verklaringen van [Slachtoffer 16] niet wettig en overtuigend bewezen verklaren. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het aan hem onder feit 1 tenlastegelegde ter zake van de werkneemster [Slachtoffer 16] (G-031).
Partiële vrijspraak ten aanzien van ‘kwetsbare positie’
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij en/of zijn medeverdachten wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat de resterende 6 werknemers, zoals genoemd in de tenlastelegging, in een kwetsbare positie verkeerden, nu die 6 werknemers vielen in de leeftijdscategorie van 45 tot en met 55 jaar waardoor zij in hun land van herkomst moeilijk aan werk konden komen, de Nederlandse taal niet machtig waren, niet bekend waren met de Nederlandse wet- en regelgeving en afhankelijk waren van hun inkomen in verband met het onderhouden van (zieke) familieleden in Polen of de inlossing van persoonlijke schulden bij [Verdachte] en/of [Verdachte] .
Op basis van het procesdossier stelt de rechtbank vast dat géén van de in de tenlastelegging genoemde resterende werknemers in de leeftijdscategorie van 45 tot en met 55 jaar valt. Voor zover deze werknemers al in een afhankelijke positie verkeerden omdat zij van hun inkomen afhankelijk waren voor het onderhoud van (zieke) familieleden of de inlossing van persoonlijke schulden bij ‘ [Verdachte] ’, blijkt niet uit het procesdossier dat de verdachte en/of zijn medeverdachten dit wisten of konden vermoeden.
De rechtbank stelt op basis van het procesdossier wel vast dat verschillende van de resterende 6 werknemers de Nederlandse taal niet machtig waren en/of dat zij niet op de hoogte waren van Nederlandse wet- en regelgeving. De rechtbank is echter van oordeel dat de omstandigheid dat een werknemer, die de Nederlandse taal niet machtig is en niet bekend is met de Nederlandse wet- en regelgeving, op zich niet met zich mee brengt dat deze werknemer daardoor in een kwetsbare positie verkeert. Om deze reden zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken voor wat betreft de zinsnede dat hij en/of zijn medeverdachten wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat de werknemers, zoals genoemd in de tenlastelegging, in een kwetsbare positie verkeerden.
Bewijsmiddelen
I. De verklaring van medeverdachte [Hoofdverdachte] namens de verdachte
De medeverdachte [Hoofdverdachte] heeft bij de Inspectie SZW, directie Opsporing (hierna: de opsporingsdienst), verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij de statutair algemeen directeur van [Verdachte] en [Verdachte] . is.
De medeverdachte [Hoofdverdachte] heeft ter terechtzitting van 21 maart 2016 verklaard, zakelijk weergegeven, dat door ‘ [Verdachte] ’ (toekomstige) medewerkers een arrangement werd aangeboden, waarvan al dan niet gebruik kon worden gemaakt. Als men ervoor koos om privé te gaan wonen, dan kon men geen gebruik maken van het arrangement. Onder dit totaalpakket vielen: wonen, eten en vervoer. Hoewel [Hoofdverdachte] wist dat het niet mocht, werden overuren omgezet naar gewone uren. Hij wist dat dit gebeurde.
Over de boeteclausules heeft [Hoofdverdachte] verklaard dat die zijn opgenomen, omdat een hond zonder tanden niet bijt. Als er geen sancties in regelementen worden opgenomen, heeft een regelement volgens [Hoofdverdachte] weinig waarde. Tenslotte heeft [Hoofdverdachte] verklaard dat hij in de jaren 2006 tot en met 2012 lid van zowel de tweehoofdige als de eenhoofdige directie van ‘ [Verdachte] ’ is geweest.
II. De medeverdachten
De medeverdachte [Medeverdachte 3] heeft op de terechtzitting van 24 februari 2016 als getuige in de zaak van de verdachte verklaard, zakelijk weergegeven, dat er voor de Poolse pluksters een klokophaalpercentagemodule en een plukprestatiemodule in het tijdregistratiesysteem zaten. Theoretisch was het mogelijk om met de plukprestatiemodule onder het minimumloon uit te komen. [Medeverdachte 3] heeft verklaard dat de klokophaalpercentagemodule op 90% moest worden gezet, maar dat dit een besluit was van het bedrijf. Voorts heeft [Medeverdachte 3] verklaard dat [Hoofdverdachte] wist van de afroommodule, omdat dit met hem was besproken. [Hoofdverdachte] wist dat er een percentage van 90% werd toegepast, want dit is daarna vaker besproken. [Medeverdachte 3] heeft op twee momenten het percentage op 85% gezet. Hoewel hij dit niet expliciet heeft gecommuniceerd, heeft hij deze handeling in lijn met het beleid verricht.
De medeverdachte [Medeverdachte 3] heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij in voorjaar 2010 is begonnen met het klokken. Volgens [Medeverdachte 3] was het mogelijk om de instelling van het tijdregistratiesysteem aan te passen. Als de klok op 90% werd ingesteld, dan werden er 10% minder uren geregistreerd. In opdracht van de directie heeft [Medeverdachte 3] de klok standaard op 90% ingesteld. Het loon is gebaseerd op de gewerkte uren. De uitbetaalde uren komen echter niet overeen met de daadwerkelijk gewerkte uren, nu hierop de correctie van 10% en eventueel 30% negatieve plukprestatie in mindering wordt gebracht. Ongeveer 20% à 30% van de pluksters ontvangt een prestatietoeslag vanwege hun positieve plukprestatie. Daarnaast bestaat er een negatieve plukprestatie, welke met 30% in mindering wordt gebracht op het salaris. [Medeverdachte 3] heeft voorts verklaard er een pluknorm was bepaald door de heren [Hoofdverdachte] en [Naam 1] . Deze pluknorm bedroeg 30,7 kilo per uur. De Poolse pluksters klokten op de in- en uitgangsklok, terwijl de Nederlandse pluksters projectklokkingen boekten. Volgens [Medeverdachte 3] wist iedereen dat er correcties in het tijdregistratiesysteem plaatsvonden.
De medeverdachte [Medeverdachte 4] heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat de Poolse werknemers onder profiel 13 vallen. Voor de loonberekening van de Poolse werknemers zijn alleen de geplukte kilo’s van belang. [Medeverdachte 4] heeft verklaard dat er volgens hem geen overuren werden gemaakt door de Poolse werknemers, nu ze een prestatietoeslag kregen als de kilo’s na omrekening meer uren behelsden dan de daadwerkelijk geklokte uren. De daadwerkelijk gewerkte tijden van de Poolse pluksters worden overschreven als de modules worden gedraaid. Er was een module die een deel van het verschil van de daadwerkelijk gewerkte uren en de kilo uren afroomt. [Medeverdachte 4] heeft hierbij het voorbeeld gegeven dat als iemand ‘daadwerkelijk’ 150 uur heeft gewerkt (waarvan al 10% afgeroomd is), terwijl er op basis van de geplukte kilo’s 100 uur gewerkt zou moeten zijn een correctie wordt toegepast voor de 50 uren die ‘te lang’ zijn gewerkt. In het voorbeeld bedraagt het verschil 50 uren. Als de correctiefactor op 40% staat, gaan van deze 50 uren dus 20 uren af. De uren die deze persoon krijgt uitbetaald zijn dan 100 + 30 = 130 uren, zijnde een verschil met 20 uur van de ‘daadwerkelijk’ gewerkte uren.
De medeverdachte [Medeverdachte 5] heeft op de terechtzitting van 24 februari 2016 in de zaken van de verdachte als getuige verklaard, zakelijk weergegeven, dat er in beperkte mate een mogelijkheid bestond voor werknemers om overwerk te weigeren. De eindbeslissing daarover werd echter genomen door een bedrijfsleider. [Medeverdachte 5] heeft verklaard dat de planners bekeken of er voldoende mensen voorhanden waren voor de komende 5 of 6 werkdagen. Als in de voormiddag bleek dat zij mensen tekort kwamen, dan meldden zij dat aan de bedrijfsleider, die dan vervolgens over een oplossing moest beslissen. Deze oplossing hield meestal in dat er langer gewerkt moest worden. Niet alleen werd er beslist tot langer doorwerken, maar er werden soms ook medewerkers van units ingezet die bijna klaar waren met hun eigen werk in hun eigen cel. Bij het maken van de planning, werd er na 5 of 6 werkdagen een vrije dag gepland. Deze vrije dag werd gegeven als er genoeg werknemers waren. Als er te weinig mensen voorhanden waren, dan nam de bedrijfsleider soms de beslissing om deze vrije dag te verschuiven. Aan de medewerkers werd medegedeeld wanneer deze vrije dag dan plaatsvond. Volgens [Medeverdachte 5] moest een werknemer in drukke weken soms 7 of 8 dagen achter elkaar werken. [Medeverdachte 5] heeft verklaard dat in elke woning het standaardhuisreglement gold. Volgens [Medeverdachte 5] moesten werknemers, direct na aankomst na hun reis vanuit Polen, op het aankomstmoment stukken ondertekenen. De nieuwe werknemers kregen nooit bij aankomst de gelegenheid om zelfstandige huisvesting te verzorgen. Tijdens hun verblijf bij ‘ [Verdachte] ’ konden werknemers een aanvraag indienen om privé te gaan wonen. De aantekening ‘vlucht’ op een beoordelingsformulier betekende volgens [Medeverdachte 5] normaal gesproken dat een werknemer zonder afspraak het bedrijf heeft verlaten. Met ‘vlucht’ wordt bedoeld dat de werknemer is vertrokken zonder nader bericht daaromtrent te hebben gegeven.
De medeverdachte [Medeverdachte 6] heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat de lengte van de werkdag van een champignonplukster afhankelijk is van de soort champignons en het groeiproces van de champignons. De pluksters moesten volgens [Medeverdachte 6] rekening houden met onregelmatige werktijden. Van tevoren kon niet worden gezegd tot hoe laat de pluksters moesten werken. [Medeverdachte 6] heeft, indien de pluksters hiernaar vroegen, gezegd dat zij tussen 06:00 en 07:00 uur dienden te beginnen, en in beginsel tot 18:00 uur dienden door te werken. Onder omstandigheden kon dit uitlopen tot 21:00 uur, en soms tot 23:00 uur. Voorts moesten de pluksters volgens [Medeverdachte 6] niet verwachten dat zij vrije dagen in het weekend hadden. Als de productie het toeliet, kon men een dag verlof in het weekend krijgen indien men dat had verzocht. De pluksters hadden volgens [Medeverdachte 6] gemiddeld één dag per week vrij. Voorts heeft [Medeverdachte 6] verklaard dat zij tegen werknemers heeft gezegd dat er meerdere personen op een kamer moesten slapen. De aantallen personen per kamer kan variëren tussen 2 en 6, afhankelijk van de betreffende woning. Volgens [Medeverdachte 6] kreeg men op het bedrijf verplicht een vaste maaltijd, waarvoor € 3,50 per dag op het salaris in mindering werd gebracht. Vanuit Polen konden de werknemers gebruik maken van het busbedrijf [Naam busbedrijf] . Een retour naar ‘ [Verdachte] ’ kost
€ 105,- en dit wordt ingehouden op hun salaris. De nieuwe mensen kregen volgens [Medeverdachte 6] een opleiding gedurende de eerste 2 à 3 weken van hun tijd bij ‘ [Verdachte] ’. Indien men binnen drie maanden na zijn aanstelling vertrekt, dan wordt er eenmalig € 250,- op het salaris ingehouden in verband met die opleiding. Het komt ook wel voor dat men een pluklijst van de vorige dag toont om de mensen te motiveren beter hun best te doen. [Medeverdachte 6] heeft tenslotte verklaard dat zij wist dat mensen hebben geklaagd omdat hun salaris niet zou kloppen.
De medeverdachte [Medeverdachte 6] heeft als getuige in de zaak van de verdachte, ter terechtzitting van 29 februari 2016, verklaard, zakelijk weergegeven, dat er een pakket was. Mensen die in dienst kwamen, moesten daarvan gebruik maken. Om een zelfstandige woning te krijgen, moest er gebruik worden gemaakt van bepaalde formulieren om een verzoek daartoe bij de leidinggevenden in te dienen. Zij heeft wel eens een formulier gezien, dat van de leidinggevende via de secretaresse naar [Hoofdverdachte] ging, en daarna naar P&O.
De medeverdachte [Medeverdachte 6] heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij alle door ‘ [Verdachte] ’ gehuurde woningen betreedt en dan alle ruimtes van de woning bekijkt. Zij controleert of deze ruimtes schoon en opgeruimd zijn en of er spullen kapot zijn of vervangen moeten worden. [Medeverdachte 6] heeft verklaard dat zij toegang had tot alle ruimtes van de woningen, tenzij zij op slot zijn. Zij heeft de sleutels van alle woningen en van alle ruimtes in die woningen. Zij probeerde te controleren als de bewoners thuis zijn. Als de bewoners niet aanwezig waren, dan controleerde zij de woning toch. Zij vroeg dan niet om toestemming van de bewoners. [Medeverdachte 6] gaat ervan uit dat [Hoofdverdachte] weet dat zij een boete heeft opgelegd en dat zij in de woningen rondkijkt, zonder toestemming van de bewoners.
III. Getuigen
De getuige [Getuige 1] heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat er ongeveer 200 tot 220 plukkers op de [Adres 1] werkten, waarvan er ongeveer 18 Nederlands waren en de rest Pools. De Poolse werknemers werkten volgens Versteegen-Peters wel eens in het weekend. De Nederlandse werknemers werkten niet in het weekend en werkten ook veel parttime. Binnen een unit werkten Polen en Nederlanders, maar alleen de Nederlandse werknemers gingen om 16:00 uur weg. In principe was 18:00 uur het einde van de werkdag voor de Poolse pluksters, maar dan moest de unit wel af zijn. Er werd wel eens langer doorgewerkt. Als de unit eerder af was, dan mochten ze volgens Versteegen-Peters eerder weg, tenzij er nog werk was in een andere unit. In dat geval gingen de Poolse pluksters daar aan de slag. De Nederlandse pluksters verdienden € 9,95 bruto per uur, de Polen ontvingen € 8,25 uur bruto.
De getuige [Getuige 2] heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat de Poolse pluksters door de locatiemanagers werden verplicht om overuren te maken om het werk af te krijgen. Volgens [Getuige 2] zijn er wel eens Poolse vrouwen flauwgevallen tijdens het werken. De Poolse pluksters maakten lange dagen en werkten zelfs als ze ziek waren.
De getuige [Getuige 3] heeft op de terechtzitting van 24 februari 2016 in de zaak van de verdachte verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij bekend was met het feit dat de Poolse pluksters langere werkdagen maakten. Deze langere werkdagen ontstonden omdat de pluk niet afkwam. In dat geval werd door de bedrijfsleider besloten dat er doorgewerkt moest worden. Kleeven belde altijd de bedrijfsleider om te vragen wat ze moesten doen met het dagen achtereen inplannen. Of er moest worden doorgewerkt, werd op de werkvloer besloten. Kleeven heeft bijna nooit gezien dat mensen ervoor kozen om niet door te werken. Het was dan vanzelfsprekend dat men zou doorwerken, er ging niemand eerder naar huis. Kleeven heeft verklaard dat er pluknormen waren. Er werden bovendien pluklijsten opgehangen, waarop de prestaties van iedere individuele plukster voor iedereen zichtbaar waren. Volgens Kleeven kwam [Hoofdverdachte] vaak in de plukcellen.
De getuige [Getuige 3] heeft ook bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat het vóór de inval bij ‘ [Verdachte] ’ in augustus 2012 voorkwam dat de pluksters 7 dagen in de week hebben gewerkt. Volgens Kleeven heeft zij zelf nooit de beslissing genomen om pluksters 7 dagen achtereen te laten werken. Indien dit noodzakelijk was, heeft zij dit altijd voorgelegd aan [Hoofdverdachte] . Hij besliste vervolgens of pluksters dan 7 dagen moesten werken of dat er langer moest worden gewerkt op een dag. [Hoofdverdachte] was volgens Kleeven altijd op de hoogte indien pluksters langer moesten werken. Hierover had Kleeven dagelijks overleg met [Hoofdverdachte] .
Kleeven heeft voorts verklaard dat de Poolse werknemers van ‘ [Verdachte] ’ door [Naam busbedrijf] , een Pools vervoersbedrijf, naar Nederland werden gebracht. De werkneemsters werden door [Naam busbedrijf] afgezet bij de locaties. De mensen die dichtbij de pluklocaties wonen, kregen bovendien een fiets tot hun beschikking. De pluksters die verder weg woonden, werden opgehaald en gebracht met een bus.
De getuige [Getuige 4] heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat de Poolse pluksters met hun eigen auto of met de bus bij het bedrijf arriveerden. Deze mensen werden in de kantine gezet, waarna [Medeverdachte 7] uitlegde hoe alles binnen het bedrijf werkte. [Hoofdverdachte] bemoeide zich volgens [Getuige 4] met alles. [Hoofdverdachte] hield goed in de gaten hoeveel uren er werden gewerkt door de pluksters in de cellen en hoeveel uren de unitleidsters werkten. Volgens [Getuige 4] werkten de pluksters gemiddeld tussen de 10 en 13 uur per dag. De door de pluksters geklokte uren werden op drie manieren gecorrigeerd. De Nederlandse pluksters werden uitbetaald conform de door hen gewerkte uren, maar bij de Poolse pluksters was dat niet het geval.
Volgens [Getuige 4] kon er bijna niets gebeuren zonder dat [Hoofdverdachte] het wist. Voor bijna alles moest er een akkoord van [Hoofdverdachte] zijn. Hij kwam ook elke dag op de werkvloer. [Hoofdverdachte] werkte zelf 18 uur per dag en hij verwachtte dat ook van al zijn personeel. De uren die de Poolse medewerkers daadwerkelijk hebben gemaakt, klopten niet met de salarisstroken. Voor de Poolse mensen was het verplicht om te betalen voor een warme maaltijd per dag, ongeacht of ze deze nuttigden of niet. Er werd automatisch € 3,50 per dag ingehouden op hun salaris.
De getuige [Getuige 5] heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij vanaf 2007 in Nederland voor ‘ [Verdachte] ’ heeft gewerkt. Gedurende een jaar heeft zij daar gewerkt als trainster, waarna zij vervolgens twee jaren lang als unitleider heeft gewerkt. [Getuige 5] heeft verklaard dat zij de pluksters aanstuurde. Het is wel eens voorgekomen dat de pluksters bang waren om hun baan te verliezen. Als er bijvoorbeeld niet goed werd geplukt of als er teveel champignons waren geplukt of beschadigd, dan werd gezegd dat ze konden vertrekken als ze het niet goed deden. In extreme situaties is dit ook wel eens voorgekomen. Volgens [Getuige 5] was zij door haar leidinggevenden geïnstrueerd om toe te zien op het plukken en om bij onregelmatigheden, zoals fouten maken bij het plukken, te dreigen naar de medewerkers. Aan [Getuige 5] was opgedragen om te zeggen dat ze goed moesten werken, omdat ze anders naar huis zouden worden gestuurd. Als er geen verbetering optrad, dan moest [Getuige 5] contact opnemen met [Naam 2] of [Naam 3] . Het gebeurde volgens [Getuige 5] heel vaak dat zij op deze manier moest optreden. Bovendien moest er extreem veel geplukt worden, omdat er veel geld verdiend moest worden. De werkdagen waren ook erg lang. Ze begonnen om 06:00 uur en werkten door totdat het werk klaar was. De eindtijden waren vooraf nooit bekend. Het was geen uitzondering dat er tot 22:00 uur of 24:00 uur gewerkt moest worden. Er werd 5, 6 of 7 dagen per week gewerkt. Werkweken van 80 uur waren volgens [Getuige 5] normaal voor de medewerkers.
V. De in de tenlastelegging genoemde Poolse champignonpluksters:
Getuige [Slachtoffer 4] (G-006) heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij op 13 mei 2009 naar Nederland is gekomen. Haar contract liep tot 30 juni 2010. Bij aankomst in Nederland heeft zij een overeenkomst getekend voor drie maanden en werd aan haar een huis in Horst toegewezen. Er waren in dit huis heel veel mensen. [Slachtoffer 4] heeft hier de eerste zes maanden gewoond. Toen ze aankwam, moest ze op zolder slapen. Hier sliepen al zes mensen. De zolder had geen raam en het was er benauwd. [Slachtoffer 4] heeft [Medeverdachte 5] hierover benaderd, maar deze gaf aan dat het in de zomer erg benauwd op zolder was en dat er dan bijna niet gewoond kon worden, maar dat zij, als zij het er niet mee eens was, kon verhuizen of terug kon naar Polen. [Slachtoffer 4] heeft twee maanden op zolder geslapen. Zij had geen privacy op zolder.
Het was onmogelijk om in een andere woning te wonen dan in een woning van [Verdachte] . [Slachtoffer 4] heeft verklaard dat het bedrijf een maaltijd regelde, waarvoor zij € 3,- moesten betalen, ook als zij deze maaltijd niet nuttigden.
[Slachtoffer 4] heeft voorts verklaard dat zij met plukken ongeveer 800 à 900 euro per periode van vier weken verdiende. Na zes dagen werken had zij recht op een vrije dag, maar die dag kreeg zij niet altijd van [Medeverdachte 5] , vooral niet als het werk af moest. Hierdoor werkte [Slachtoffer 4] soms wel 8 tot 11 dagen achter elkaar. De werktijden verschilden per dag. Zij begon altijd om 06:00 uur met werken en was vaak om 22:00 uur klaar, maar de eindtijd verschilde soms. Het kwam regelmatig voor dat zij om 20:00 uur klaar was in haar cel, waarna zij in een andere cel moest meewerken omdat die cel nog niet klaar was. Volgens [Slachtoffer 4] is het zo nooit voorgekomen dat zij eerder naar huis kon als het werk in haar eigen cel klaar was. [Slachtoffer 4] heeft verklaard dat de werktijden bij ‘ [Verdachte] ’ te lang zijn, dat er bijna geen mogelijkheden waren tot vrije dagen, de werkdruk te hoog was en dat men meteen aan het werk moest na aankomst vanuit Polen.
Getuige [Slachtoffer 4] heeft ook bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij per week 6 dagen werkte, maar dat het moeilijk te zeggen is hoeveel uren zij per dag werkte. In een periode van vier weken werkte zij 24 dagen. De werktijden waren variabel, maar gemiddeld werkte zij van 06:00 uur tot 20:00 uur, zijnde 14 uren bruto per dag. Zij werd verplicht om over te werken. Volgens [Slachtoffer 4] heeft zij afspraken gemaakt met haar werkgever over het uitbetalen van uurloon, maar zij is er achter gekomen dat de werkgever zich hier niet aan hield. Volgens [Slachtoffer 4] kon zij hier niets tegen doen. [Slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij, samen met anderen, tweemaal eerder moest uitklokken dan dat zij wegging, omdat zij niet teveel uren mochten werken op het kloksysteem.
Getuige [Slachtoffer 5] (G-007) heeft bij de opsporingsdienst verklaard -zakelijk weergegeven- dat zij op 2 november 2010 naar het centrale station in Poznan moest komen. Vanaf Poznan is zij met een bus van [Naam busbedrijf] , samen met 9 andere personen, rechtstreeks naar een locatie in Nederland gegaan. Deze busreis duurde 25 uren. Op 3 november 2010 is [Slachtoffer 5] in Nederland gearriveerd. De bus stopte bij een bedrijfspand te Horst, waarna iedereen een kantoor binnen ging. [Medeverdachte 7] heeft daar aan [Slachtoffer 5] en anderen een arbeidsovereenkomst in de Poolse taal ter ondertekening gegeven. [Slachtoffer 5] ontving ook een magnetische kaart met haar naam, waarmee zij moest klokken bij binnenkomst en vertrek. [Slachtoffer 5] hoefde niet te klokken als zij pauze had. [Slachtoffer 5] had begrepen dat zij soms 10 uur per dag zou werken, maar zij werkte per week veel langer. Sommige weken werkte zij 16 uur per dag, inclusief de pauzes. Zij werkte 6, en af en toe 7, dagen per week, waardoor zij dus meer uren maakte dan was afgesproken. In het contract stond volgens [Slachtoffer 5] dat zij 40 uur per week zou werken, maar zij maakte overuren. In het contract werd gesproken van een uurloon van ongeveer € 8,17 uur, maar [Slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij dit volgens haar niet heeft ontvangen. [Slachtoffer 5] hield een agenda bij waarin zij de door haar gewerkte uren dagen en uren, en geplukte kilo’s, noteerde. [Slachtoffer 5] heeft verklaard dat het voor haar volstrekt onduidelijk is hoe het loon is berekend. Op enig moment heeft zij de loonstrook van november 2010 bekeken en heeft zij gezien dat de uren daarop niet juist waren. Volgens [Slachtoffer 5] kloppen de uren in haar agenda. De loonstroken zijn niet overeenkomstig de werkelijkheid. [Slachtoffer 5] heeft verklaard dat ze bij ‘ [Verdachte] ’ de boel hebben bedonderd. [Slachtoffer 5] was ontevreden, omdat zij maar € 120,= heeft verdiend, terwijl zij 6 weken heeft gewerkt. Zij werkte ongeveer 16 uur per dag, inclusief de pauzes, ongeveer 7 dagen per week. Per maand meldde zij zich een dag ziek om een dag vrij te zijn. In december 2010 is zij bij ‘ [Verdachte] ’ weggegaan. [Slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij op haar eerste dag direct aan het werk werd gezet.
[Slachtoffer 5] wist alleen dat zij om 6 uur ’s ochtends met haar werk moest beginnen. Ze wist nooit hoe laat zij klaar zou zijn met werken. Voor iedereen gold dat er moest worden gewerkt totdat het aantal pallets was verwerkt. Volgens [Slachtoffer 5] kon zij pas weg als de aantallen tonnage waren gehaald. Zij kon niet anders dan accepteren dat er doorgewerkt moest worden. Het was volgens haar niet mogelijk om werk te weigeren. Indien werk werd geweigerd, vond er een scheldpartij plaats waarna de desbetreffende persoon naar de kantine werd gestuurd. Volgens [Slachtoffer 5] kon een werknemer ná het werk gaan en staan waar deze wilde, maar daar was weinig tijd voor. Haar leven bestond uit werken en slapen. Als een werknemer iets wilde ondernemen, dan ging dit ten koste van de nachtrust. Als [Slachtoffer 5] vrij had, dan had zij boodschappen kunnen doen. Door haar werktijden was zij daartoe echter niet in staat.
[Slachtoffer 5] heeft altijd op dezelfde locatie in [Adres 7] gewerkt. Zij werden ’s ochtends in het donker met een dubbeldekkerbus van [Naam busbedrijf] naar die locatie gebracht. [Slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij nu niet meer bij ‘ [Verdachte] ’ zou gaan werken, gelet op haar ervaringen aldaar. Zij werd vernederd en zij voelde zich een ‘nul’. Door de Turkse en Poolse unitleiders werd gescholden met woorden als ‘slet’, ‘simpele’ of ‘Pools varken’. [Slachtoffer 5] voelde zich als een soort slaaf behandeld. [Slachtoffer 5] voelde zich min of meer verplicht om de collectieve zorgverzekering te nemen, omdat dit door de werkgever geregeld was. Zij heeft een boete van 250 euro gehad, omdat zij contractbreuk heeft gepleegd door binnen 3 maanden te vertrekken. [Slachtoffer 5] heeft voorts verklaard dat zij geen keuze had in de huisvesting, omdat dit al was geregeld. [Medeverdachte 7] vertelde haar dit op kantoor.
Getuige [Slachtoffer 5] (G-007) heeft voorts bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat [Verdachte] haar huisvesting in Nederland heeft geregeld. Het was niet mogelijk om zelf huisvesting in Nederland te regelen. [Slachtoffer 5] heeft verklaard dat de door haar gewerkte uren bij ‘ [Verdachte] ’ niet in verhouding staan tot het salaris dat zij heeft ontvangen. Zij heeft te weinig salaris ontvangen, in totaal € 519,63. [Slachtoffer 5] heeft verklaard dat op haar loonstrook over periode 11 staat dat zij in 4 dagen tijd 19,92 uren heeft gewerkt, maar volgens haar aantekeningen waren dit 47,75 uren. Op haar loonstrook over periode 12 staat dat zij 129,08 uren heeft gewerkt in 20 dagen tijd, maar volgens haar aantekeningen waren dit 258,80 uren. Zij heeft verklaard dat zij ruim 129 uren tekort komt aan betaalde uren en dat deze twee loonstroken van ‘ [Verdachte] ’ niet overeenkomen met de werkelijkheid, en dus vals zijn. Voor de verplichte warme maaltijden werd per maaltijd een bedrag van € 3,- op haar salaris ingehouden.
De Nederlandse vrouwen begonnen altijd rond 08:00 uur en gingen omstreeks 16:00 uur weer naar huis, terwijl hun pauzes hetzelfde waren als die van [Slachtoffer 5] . [Slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij wel vrij kon vragen aan Krzyzstof, maar dat dit niet mogelijk was en er gewoon gewerkt moest worden. [Slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij 200 kilo champignons per dag moest plukken. De volgende dag stond op een bord aangegeven hoeveel kilo’s zij de vorige dag had geplukt. Op het werk werden zij dagelijks, de hele dag, gecontroleerd. Zij werden iedere minuut in de gaten gehouden. Bij overtreding van de regels werd er gedreigd met het plaats nemen in de kantine.
[Slachtoffer 5] heeft verklaard dat zij erg uitgescholden is en dat zij dat als heel naar en vernederend heeft ervaren. Zij was bang om een boete te krijgen als zij eerder terug naar Polen zou vertrekken. Volgens [Slachtoffer 5] was het een hel om bij [Verdachte] te werken.
De getuige [Slachtoffer 8] (G-010) heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij vanaf maart 2009 een periode van 3 maanden voor ‘ [Verdachte] ’ heeft gewerkt, en vervolgens van juli 2009 tot en met mei 2010. Zij heeft verklaard dat zij vanuit de plaats Wroclaw met een autobus van ‘ [Naam busbedrijf] ’ naar Horst in Nederland is gekomen. Zij kreeg in Polen te horen dat voor de busreis (retour) een bedrag van € 105,00 van haar salaris in Nederland zou worden afgehouden. Het was voor haar niet mogelijk om met eigen vervoer te gaan, omdat dit door ‘ [Verdachte] ’ toch ingehouden werd.
[Slachtoffer 8] woonde in een woning te [Adres 7] . Deze woning was door ‘ [Verdachte] ’ geregeld. Zij woonde daar met in totaal 18 personen. In deze woning waren vijf slaapkamers, een centrale huiskamer, twee toiletten en een badkamer met een bad en douche erin. [Slachtoffer 8] sliep met vier vrouwen op een kamer en heeft daar ook eens op een kamer met 6 personen geslapen. De huisvesting moest via ‘ [Verdachte] ’ worden geregeld, omdat zij anders geen werk kreeg.
De huisvesting werd door [Medeverdachte 7] [Medeverdachte 6] gecontroleerd, waarbij zij alles controleerde. Als er op de kamer iets geconstateerd werd, dan werd dit volgens [Slachtoffer 8] per kamer middels een boete van € 25,00 per persoon in rekening gebracht door het in te houden op het loon. [Slachtoffer 8] heeft verklaard dat er eens per week op donderdag werd gecontroleerd. [Medeverdachte 7] kwam dan ook onaangekondigd de kamer binnenvallen. Zij had sleutels van alle kamers. [Slachtoffer 8] heeft verklaard dat zij zich niet kan herinneren dat er is geklaagd over de huisvesting, omdat men bang was voor eventuele consequenties, zoals weggestuurd worden. [Slachtoffer 8] voelde zich niet vrij in haar doen en laten.
Volgens Palszewska moest iedereen lange werkdagen maakte. Palscewska begon om 06:00 uur ’s ochtends, en met Pasen zelfs om 05:00 uur. Zij werkte op de meeste dagen tot 21:00 of 22:00 uur, inclusief pauzes. Vlak voor Pasen heeft zij twee weken lang 20 uur per dag gewerkt. Zij moest ook werken op eerste kerstdag, met oud en nieuw en op nieuwjaarsdag. Er waren geen vaste werktijden.
[Slachtoffer 8] heeft verklaard dat zij niet wist hoeveel door haar te werken uren in het arbeidscontract stonden. Zij kreeg opdracht om champignons te snijden en kan daarmee pas stoppen, als haar dit werd medegedeeld. Volgens [Slachtoffer 8] zijn er collega’s van haar flauwgevallen van vermoeidheid.
[Slachtoffer 8] heeft verklaard dat zij haar loonstrookjes niet begreep. Niemand had tijd om dit aan haar uit te leggen. Het is voor [Slachtoffer 8] niet mogelijk om vast te stellen wat haar salaris per geplukte kilo bedroeg, en dit is door niemand aan haar uitgelegd. [Slachtoffer 8] heeft geprobeerd om dit zelf uit te rekenen en hieruit volgde dat zij slechts € 2,50 per uur verdiende.
De getuige [Slachtoffer 8] (G-010) heeft voorts bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat er buiten het werk niets verboden was, maar dat zij geen tijd had om ergens heen gaan. Toen [Slachtoffer 8] voor ‘ [Verdachte] ’ begon te werken, moest zij drie maanden blijven omdat zij anders een boete zou krijgen. Voor de verplichte maaltijd werd
€ 3,00 ingehouden en voor de retourreis uit Polen werd een bedrag van € 105,00 ingehouden. Dit bedrag werd volgens [Slachtoffer 8] ook ingehouden als zij met eigen vervoer zou reizen. [Slachtoffer 8] heeft verklaard dat zij problemen had met de lange werkdagen, het slechte salaris en het gebrek aan respectvolle omgang bij ‘ [Verdachte] ’. Het ergste vond zij de lange werkdagen en het slechte salaris. [Slachtoffer 8] heeft verklaard dat er in het begin geen pasjes werden gebruikt, maar dat zij later wel met het passysteem heeft gewerkt. Met dit systeem werden alleen de begin- en eindtijd geregistreerd, maar niet de pauzes. Volgens [Slachtoffer 8] werkte zij per dag 15 of 16 uur, inclusief pauzes. Normaal gesproken had zij één dag in de week vrij, maar in drukke periodes werkte zij soms wel 8 tot 12 dagen achter elkaar. Zij was niet geïnformeerd over vakantiegeld en heeft dit ook niet ontvangen. Palcewska heeft verklaard dat zij niet kan aangeven hoeveel salaris zij zou moeten krijgen, als zij bijvoorbeeld 100 kilo zou hebben geplukt. Het lukte haar niet om dit uit te rekenen. Zij had het gevoel dat ze werd belazerd. Zij wist niet dat zij, ongeacht het prestatieloon, het minimumloon van ongeveer € 8,00 bruto had moeten ontvangen.
Getuige [Slachtoffer 9] (G-012) heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij van 4 november 2010 tot en met 8 december 2010 voor ‘ [Verdachte] ’ heeft gewerkt. [Slachtoffer 9] heeft verklaard dat zij met een bus naar Nederland is gekomen, voor welke reis zij
€ 105,- moest bestalen. Dit bedrag zou van haar salaris worden ingehouden. Hoewel [Slachtoffer 9] slechts een enkele reis heeft gemaakt, moest zij toch het volledige bedrag van € 105,- (zijnde de retourprijs) betalen. In de omgeving van Horst werd [Slachtoffer 9] ontvangen door [Medeverdachte 7] . [Medeverdachte 7] heeft de arbeidsovereenkomst uitgelegd en [Slachtoffer 9] heeft deze vervolgens ondertekend. Er waren twee arbeidsovereenkomsten: in het Nederlands en in het Pools. De huisvesting was door ‘ [Verdachte] ’ geregeld.
Zij moesten zich daarbij haasten en vlug werken, want ze zouden gaan verdienen naar rato van wat er werd geplukt. [Slachtoffer 9] heeft verklaard dat zij pas aan het einde van de dag wist hoeveel kilo’s zij had geplukt. Het meeste dat zij op een dag heeft geplukt, was 190 kilo. Die dag heeft [Slachtoffer 9] gewerkt van 06:00 uur tot 21:00 of 22:00 uur. Gemiddeld heeft [Slachtoffer 9] 140 tot 160 kilo per dag geplukt. Volgens [Slachtoffer 9] kregen pluksters € 10,- aan contanten indien zij meer dan 2.000 kilo per week plukten. Dit is [Slachtoffer 9] nooit gelukt. Zij heeft verklaard dat zij niet begreep hoe anderen aan die premies kwamen. [Slachtoffer 9] wist hoe laat zij moest beginnen met werken, maar zij wist nooit tot hoe laat zij moest werken. De unitleiders bepaalden dit. [Slachtoffer 9] heeft verklaard dat tegen haar werd gezegd dat zij door moest werken, omdat zij anders terug naar Polen kon. Zij voelde zich angstig omdat ze daardoor verplicht werd om die 2.000 kilo te plukken. Hoewel in haar contract stond dat zij 8 uur per dag moest werken, vertelde [Naam 4] haar – na overschrijding van deze 8 uren – dat zij maar moest gaan zitten en moest wachten tot iedereen klaar was met werken, omdat ze toch niet eerder naar huis zou worden gebracht. [Slachtoffer 9] heeft toen doorgewerkt. Er was niks geregeld voor de betaling van overuren, want volgens [Slachtoffer 9] werd zij betaald naar rato van de kilo’s die zij plukte. De overuren werden niet bijgehouden. [Slachtoffer 9] moest gewoon doorwerken en kon daardoor niets anders doen, omdat er daarvoor niet genoeg vrije tijd overbleef. In totaal heeft [Slachtoffer 9] 270 uur voor ‘ [Verdachte] ’ gewerkt, waarvoor zij bruto € 200,- heeft ontvangen. Volgens [Slachtoffer 9] heeft zij nog geen tiende deel ontvangen van de betaling waarop zij recht heeft. Pas later heeft [Slachtoffer 9] vernomen dat er vakantiegeld bestaat.
[Slachtoffer 9] heeft verklaard dat zij een boete van € 250,- heeft gekregen, omdat zij eerder stopte met werken dan de drie maanden die in het arbeidscontract worden genomen.
Toen [Slachtoffer 9] tegen een Turkse voorman zei dat zij 39 graden koorts had en dat zij zich daarom ziek wilde melden, zei deze voorman: “Je staat toch nog op twee benen, dus dan ben je gezond en kun je werken”.
Getuige [Slachtoffer 10] G-013) heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij in de periode van 8 of 9 april 2008 tot en met 21 februari 2010 onafgebroken werkzaam is geweest voor de onderneming ‘ [Verdachte] ’. Op enig moment heeft [Slachtoffer 10] zelf een onderkomen geregeld op de [Adres 2] te Melderslo. Daar heeft zij verbleven van eind januari 2009 tot en met kerst 2009, waarna zij een andere woonruimte regelde in [Adres 7] . Vervolgens kreeg zij van [Medeverdachte 5] van ‘ [Verdachte] ’ te horen dat zij weer terug moest gaan naar de [Adres 3] in de huisvesting van ‘ [Verdachte] ’. ‘ [Verdachte] ’ wilde niet hebben dat men zelf huisvesting ging regelen en betrekken. [Slachtoffer 10] heeft verklaard dat haar kamer in de Herstraat een afmeting had van 3 bij 3 meter, waarop 2 stapelbedden stonden. Er woonden 4 mensen in deze kamer. Enige vorm van privacy was niet mogelijk. Er waren in dit huis 1 douche en 1 toilet voor 12 mensen. De douche was geregeld kapot. Volgens [Slachtoffer 10] controleerde [Medeverdachte 7] wekelijks de huisvesting. [Medeverdachte 7] controleerde elke ruimte. [Slachtoffer 10] vreesde eventuele consequenties, zoals een boete of ontslag.
[Slachtoffer 10] heeft gemiddeld 12 uur per dag en 6 dagen per week bij de onderneming ‘ [Verdachte] ’ gewerkt. Zij heeft dus ongeveer 70 uur per week en 280 uur per 4 weken voor ‘ [Verdachte] ’ gewerkt. De loonstrook over de periode 10-8-2009 tot en met 6-9-2009 kan volgens haar niet juist zijn, omdat zij veel meer loon uitbetaald had moeten krijgen.
Getuige [Slachtoffer 10] G-013) heeft ook bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij gedurende haar drie arbeidsjaren bij ‘ [Verdachte] ’ heeft gewerkt als plukster. Zij heeft in die periode gemiddeld 700 à 800 euro netto per maand verdiend. [Slachtoffer 10] heeft verklaard dat zij werd gedwongen tot langer doorwerken. Als zij dit niet deed, dan zou zij ontslag krijgen en kon zij teruggaan naar Polen. Volgens [Slachtoffer 10] geraakte zij in een cyclus van werk en slapen, en verder niets. Zij heeft verklaard dat dit vergelijkbaar is met een psychose. Ze had geen tijd meer om iets anders te doen dan slapen en werken. Zij moest zich aan de werktijden houden. Soms moest zij ook ’s nachts werken. Een vrije dag werd pas verleend na 14 dagen aaneengesloten werken, en op die dag werd soms alsnog verzocht om toch nog te komen werken.
[Slachtoffer 10] heeft voorts verklaard dat de maaltijden 3 euro per dag kostten, ook als men deze niet gebruikte moest men 3 euro betalen. [Slachtoffer 10] heeft aan [Medeverdachte 5] gemeld dat zij tien dagen geen maaltijd zou nuttigen, maar desondanks is er wel een vergoeding voor deze maaltijden ingehouden op haar loon. Krzyzstof [Medeverdachte 5] zei hierop tegen [Slachtoffer 10] dat zij maar met de ‘rooie’ moest praten als het haar niet aanstond. Met de ‘rooie’ bedoelde hij [Hoofdverdachte] , de grote baas. Over de huisvesting heeft [Slachtoffer 10] verklaard dat zij alleen privacy had op het toilet.
[Slachtoffer 10] heeft verklaard over een voorval met een Turkse voorman. Toen zij klaar was met haar werk, wilde zij naar huis omdat zij zich niet goed voelde. De voorman [Naam 5] wilde echter dat zij naar een andere ruimte zou gaan. Door de spanning begon [Slachtoffer 10] te huilen. Zij voelde zich geïntimideerd door zijn dreigende lichaamshouding en woordkeuze. Ook voelde zij zich machteloos en vernederd, omdat iedereen stond toe te kijken en niemand wat deed. De houding van deze voorman jegens vrouwen stond haar niet aan. Door het gedrag van [Naam 5] zijn alle vrouwen bang voor hem geworden.
Getuige [Slachtoffer 12] (G-015) heeft bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat zij op 7 februari 2008 bij ‘ [Verdachte] ’ is begonnen. In totaal heeft zij drie contracten ondertekend; voor drie maanden, voor een jaar en vervolgens voor bijna drie jaren. Zij is begonnen als plukster. Daarna heeft zij zich bezig gehouden met het zoeken naar ziektes bij de paddenstoelen en uiteindelijk heeft zij in de kantine van ‘ [Verdachte] ’ gewerkt. Deze functies voerde zij gelijktijdig uit. In deze periode was zij ook nog als plukster werkzaam. [Slachtoffer 12] heeft verklaard dat voor haar niet duidelijk is hoe de berekening van de uren op de loonstrook tot stand kwam. Er waren altijd verschillen en geen enkele loonstrook klopte voor wat betreft het aantal feitelijk gewerkte uren. Volgens [Slachtoffer 12] vielen de lange werkdagen in het begin wel mee, maar daarna moest er hard gewerkt worden. Als bleek dat er in andere cellen nog meer werk moest worden verricht, dan moest er daar worden bijgesprongen. [Slachtoffer 12] heeft verklaard dat zij heeft meegemaakt dat mensen tien tot twaalf dagen achter elkaar moesten werken zonder een vrije dag. In de periode van 30 november 2009 tot en met januari 2010 heeft [Slachtoffer 12] 292 uren gewerkt. Volgens [Slachtoffer 12] is dit haar record. Zij heeft de door haar gewerkte uren bijgehouden in een agenda.
[Slachtoffer 12] heeft verklaard dat [Medeverdachte 7] aangaf waar iedereen werd gehuisvest. [Slachtoffer 12] werd in Horst gehuisvest. Op zolder was net plaats voor zes bedden en er waren geen ramen. In de zomer was het daar erg warm en in de winter was het heel koud. Ten tijde van de politiecontrole op 7 augustus 2012 woonden er ongeveer achttien tot twintig mensen in deze woning. [Slachtoffer 12] heeft verklaard dat zij en haar echtgenoot op enig moment toestemming hadden gekregen om in een woning te wonen die niet van ‘ [Verdachte] ’ was. Na korte tijd werd die toestemming echter teruggedraaid. Zij moesten toen 7,50 euro per dag betalen. [Medeverdachte 7] controleerde volgens [Slachtoffer 12] de woning onaangekondigd, waarbij zij overal in keek. Het was ook niet mogelijk om eerder te vertrekken bij ‘ [Verdachte] ’, omdat bij een voortijdig vertrek een boete van € 250,- moest worden betaald. [Slachtoffer 12] heeft ten slotte verklaard dat zij en haar echtgenoot ieder drie euro per dag voor een maaltijd moesten betalen. Deze maaltijden moesten worden genuttigd, ondanks dat men bijvoorbeeld een medische verklaring had en ook als deze niet werden genuttigd.
[Slachtoffer 12] heeft verklaard dat zij bang was voor [Hoofdverdachte] , omdat hij gauw boos werd als er teveel champignons waren geplukt. Bovendien schreeuwde hij vaak en soms werd hij rood van kwaadheid. De pluksters noemden [Hoofdverdachte] de ‘rooie’, omdat hij rood haar heeft. [Hoofdverdachte] werd een keer geconfronteerd met een plukster, die niet wist wie hij was en vroeg of dat belangrijk was. [Hoofdverdachte] werd hierop kwaad en begon te schelden. De volgende dag kon deze plukster haar spullen pakken en naar Polen vertrekken.
Getuige [Slachtoffer 12] (G-015) heeft ook bij de opsporingsdienst verklaard, zakelijk weergegeven, dat er bij verlof niet werd uitbetaald. [Slachtoffer 12] heeft verklaard dat de pluksters om 06:00 uur ’s morgens beginnen. Alleen de begintijden van de werkzaamheden waren bekend. Zij gaan door totdat het werk af is. Soms kon een ploeg uit Polen, ondanks dat zij de hele nacht in de bus hadden gezeten, omstreeks 12.00 uur ’s middags starten met het werk. Het was niet mogelijk om een vrije dag op te nemen. Het bedrijf bepaalde wanneer een plukster vrij kreeg. Vrouwen vielen soms flauw van vermoeidheid.
Volgens [Slachtoffer 12] voelde zij zich misleid, omdat niemand haar, voordat zij bij ‘ [Verdachte] ’ ging werken, informatie heeft verstrekt over de lange werkdagen, het stukloon en het zware werk. [Slachtoffer 12] heeft verklaard dat zij het systeem van verplichte maaltijden en verplichte huisvesting als een soort overheersing heeft ervaren. De onzekerheid over de eindtijd van de werkdagen gaat volgens [Slachtoffer 12] ten koste van het gezinsleven en het sociale leven. [Slachtoffer 12] heeft verklaard dat zij voortdurend de psychische druk heeft gevoeld van het bedrijf ‘ [Verdachte] ’. Zij voelde zich geïsoleerd door alleen te werken en te slapen. [Slachtoffer 12] heeft verklaard dat zij zich voelde alsof zij in een soort tunnel zat.
IV. Overige bewijsmiddelen
De opsporingsdienst heeft onderzoek gedaan naar de bedrijfsstructuur van ‘ [Verdachte] ’ en heeft daarover als volgt gerelateerd, zakelijk weergegeven, dat onder meer de rechtspersonen [Verdachte] en [Verdachte] . tot een groep gelieerde vennootschappen van de [Verdachte] -groep behoren. Deze [Verdachte] -groep betreft een groot aantal vennootschappen dat zich bezig houdt met het telen van champignons. De rechtspersoon [Verdachte] legt zich onder meer toe op het kweken van champignons. Binnen deze rechtspersoon vinden alle oogsthandelingen plaats. De activiteiten van rechtspersoon [Verdachte] . zien onder meer op ondersteunende activiteiten ten behoeve van de tot de [Verdachte] -groep behorende bedrijven. Deze activiteiten behelzen onder andere de administratieve verwerking van de financiële administratie, personeel- en organisatie-activiteiten, de ICT-activiteiten en ondersteuning bij overige staffuncties. De opsporingsdienst heeft voorts gerelateerd dat de enig bestuurder van de verdachte rechtspersoon [Verdachte] de rechtspersoon [Verdachte] . is. De enig bestuurder van de rechtspersoon [Verdachte] . is de rechtspersoon [Naam rechtspersoon 1] . De enig bestuurder van de rechtspersoon [Naam rechtspersoon 1] . is de rechtspersoon [Naam rechtspersoon 2] En de enig bestuurder van de rechtspersoon [Naam rechtspersoon 2] is de natuurlijk persoon [Hoofdverdachte] .
Uit het proces-verbaal van bevindingen van de opsporingsdienst volgt dat door de bedrijven [Verdachte] (zijnde de verdachte), gevestigd te [Adres 7] in de gemeente Horst aan de Maas, en [Verdachte] ., gevestigd te Venlo, gebruik werd gemaakt van een door [Naam rechtspersoon 3] (hierna: [Naam rechtspersoon 3] ) ontwikkeld tijdregistratiesysteem.
De opsporingsdienst heeft voorts gerelateerd, zakelijk weergegeven, dat er per productielocatie van ‘ [Verdachte] ’ een tijdregistratie aanwezig was. Per tijdregistratie was het mogelijk om de modules verschillend in te stellen, maar de werkwijze was bij alle vier de productielocaties van ‘ [Verdachte] ’ gelijk. De opsporingsdienst heeft voorts gerelateerd, zakelijk weergegeven, dat het tijdregistratiesysteem opnieuw is ingericht voor het klokken van de Poolse pluksters. Er zijn voor de Poolse pluksters een aantal maatwerkmodules ontwikkeld en ingevoerd, te weten de klokophaalpercentagemodule, de vaste pauzemodule en de pluktijdcorrectiemodule.
De opsporingsdienst heeft onderzocht hoeveel Poolse champignonpluksters een positieve of negatieve plukprestatie hebben gehaald. Uit dit onderzoek over de salarisperiodes, gelegen tussen de periodes 4-2011 tot en met 7-2012, volgt, zakelijk weergegeven, het navolgende overzicht:
Productielocatie Totaal aantal Negatieve Positieve
pluksters plukprestatie plukprestatie
[Adres 7] 263 200 63
[Adres 4] 114 94 20
[Adres 5] 48 0 48
[Adres 6] 153 110 43
Totaal 578 404 174
Procentueel 100,0% 69,9% 30,1%
Uit de brief d.d. 16 maart 2012 van [Naam 6] namens [Verdachte] aam mevrouw [Naam 7] volgt, zakelijk weergegeven, dat de plukprestaties van [Slachtoffer 17] ondermaats zijn, waardoor dit extra kosten voor ‘ [Verdachte] ’ met zich meebrengt. Ondanks het feit dat [Slachtoffer 17] 2 weken de tijd heeft gekregen om haar prestaties positief te beïnvloeden, is haar dat niet gelukt. Dit schrijven betreft een schriftelijke waarschuwing, waarin wordt aangekondigd dat er sancties worden genomen indien de plukprestaties binnen 2 weken niet verbeteren. In dat geval bestaat de mogelijkheid dat het contract van [Slachtoffer 17] per direct wordt beëindigd.
Uit het document ‘aanvraag privé wonen’, aangetroffen in de inbeslaggenomen administratie volgt, zakelijk weergegeven, dat personen minstens 13 weken, dus vanaf aanvang van het tweede contract, in dienst moeten zijn bij ‘ [Verdachte] ’ bij een aanvraag tot privé wonen.
In de inbeslaggenomen administratie is een overzicht aangetroffen van 17 verhuurders van woonlocaties, met daarin de maximale totale bewoning per woning en het einde van de huurtermijn. Uit dit overzicht volgt, zakelijk weergegeven, dat de huurtermijn van 15 van deze locaties gedeeltelijk dan wel volledig doorliep tijdens de tenlastegelegde periode. Voorts staat het navolgende in dit overzicht opgenomen, zakelijk weergegeven:
Geplande arbeidskrachten Arbeidskrachten met
per locatie eigen huisvesting
[Adres 6] 111 0
[Adres 1] 225 19 tot 26
[Adres 5] 35 2
[Adres 4] 105 7 tot 13
FPV 74 0
Tunnels, kisten, [Adres 5] 3a 4 0
Diversen 3 0
Totaal 557 29 tot 42
Op basis van het voorgaande verstaat de rechtbank dat de optelsom van het aantal arbeidskrachten met eigen huisvesting in totaal 28 tot 41 bedraagt.
Uit het e-mailbericht d.d. 13 juli 2012 van [Naam 6] aan ‘ [Naam 8] ’ volgt, zakelijk weergegeven, dat ‘ [Hoofdverdachte] ’ terzake van een aantal medewerkers geen toestemming verleent voor het privé wonen en eten. Uit het e-mailbericht d.d. 20 juli 2012 van [Naam 6] aan ‘ [Naam 8] ’ volgt, zakelijk weergegeven, dat ‘ [Hoofdverdachte] ’ toestemming heeft verleend aan ‘ [Naam 9] ’ om privé te gaan wonen.
In het e-mailbericht van [Hoofdverdachte] aan [Naam 1] en [Naam 10] d.d. 23 juli 2011 volgt als volgt, zakelijk weergegeven:
[Naam 1] ,
Met dit overzicht kan ik niets!
We hebben altijd een overzicht gehad waar alles in stond.
Wat ik mis zijn de mensen die per locatie privé wonen wat de behoefte is per locatie/afdeling.
Nu krijg ik alleen een overzicht met mensen die bij PC wonen en dat is niet genoeg.
Kun je zorgen dat ik het goede overzicht vandaag krijg, dan kan ik dat vanavond beoordelen.
[Hoofdverdachte] .
Uit de beëdigde vertaling van een document geheten ‘Huisregels’ volgt het navolgende:
8. De bewoners dragen zelf zorg voor het schoon houden van de kamers en het gebouw. Wij houden elke week een controle. Personen die geen zorg dragen voor het schoonhouden van de woning/kamer zullen:
- bij de eerste controle een schriftelijke waarschuwing krijgen
- bij de tweede controle een boete van 100 euro krijgen, te betalen door de bewoner van de vuile kamer, of door de persoon die zijn plichten niet vervult.
Eenieder die zich niet aan bovenstaande regels houdt, zal bij een eerste overtreding een schriftelijke waarschuwing krijgen. Bij een tweede overtreding zal hij ontslagen worden.
De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, gesloten op 3 november 2010 tussen [Verdachte] en [Slachtoffer 5] , welke onder meer luidt:

1.02 Per week wordt er 27 uur gewerkt met een toegestane afwijking van dat aantal gewerkte uren van 13 uur. Het aantal werkuren van de werknemer bedraagt daarom minimaal 13 uur en maximaal 40 uur per week bedragen.
(….)

3.02 Het vaststellen van de hoogte van het loon gebeurt in principe op basis van de methode van betaling per kilo / per hoeveelheid verpakte producten, met in achtneming van het betreffende bruto stukloon op een gegeven die geldt op het moment van aanvang van de arbeidsverhouding, ofwel het stukloon dat ging gelden tijdens de loop van deze arbeidsovereenkomst. Het stukloon dat geldt op het moment van aanvang van deze arbeidsverhouding is als bijlage toegevoegd bij deze arbeidsovereenkomst.

3.03 Als minimaal gegarandeerd loon is het aangewende (gegarandeerde) loon per gewerkt uur, met een maximaal aantal uren van 40 per week, in verhouding tot het maximaal aantal gewerkte uren dat in deze overeenkomst vastgesteld is. De hoogte van het door de werknemer ontvangen (gegarandeerde) loon per uur wordt berekend op basis van het vastgestelde minimumloon (jeugdloon) en bedraagt op de dag van het aangaan van de arbeidsverhouding 8,17 euro per daadwerkelijk gewerkt uur.
(….)

3.07 In april van elk jaar, ofwel na de beëindiging van de arbeidsverhouding, betaalt de werkgever aan de werknemer een vakantietoeslag van 8% van het reeds betaalde of nog verschuldigde loon.
(…..)

5.01 De werkgever regelt voor de werknemer de volgende zaken en/of diensten: huisvesting tijdens de verblijfsperiode in Nederland, elke dag een warme lunch, de reis van Polen naar Nederland en de reis van de tijdelijke verblijfplaats naar de werkplek van de werkgever.

5.02 Bij de aanvang van de arbeidsverhouding ontvangt de werknemer een cursus, waarvan de kosten zijn vastgesteld op 250 euro. Als de werknemer vóór de afloop van de afgesproken periode van arbeidsverhouding en zonder daarvoor vakantiedagen op te nemen terugkeert naar zijn woonplaats in Polen of om andere redenen ophoudt het werk uit de overeenkomst uit te voeren, dan is de werknemer verplicht deze kosten voor scholing aan de werkgever terug te betalen.

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Verbonden uitspraken