Rb. Limburg 29 januari 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:719

Vuurwerkbesluit artikelen 1.2.2 en 5.3.5 In Nederland invoeren, opslaan en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk: De enkele stelling van de verdediging dat het mogelijk geen vuurwerk is, is onvoldoende aanleiding voor (destructief) onderzoek aan het vuurwerk door het NFI of soortgelijke instelling. Aangenomen kan worden dat vuurwerk van een zelfde fabrikant dat onder een bepaalde merknaam en bepaalde typeaanduiding en in massaproductie vervaardigd is en op de markt is gebracht, in beginsel steeds dezelfde samenstelling heeft. Het vuurwerk is door deskundige politieambtenaren onderzocht op uiterlijke kenmerken. Het betreft hier vuurwerk dat fabrieksmatig is geproduceerd. Dát het vuurwerk betreft, is daarmee voldoende vast komen te staan. De exacte samenstelling is onder de geldende regelgeving niet bepalend, nu de indeling door de fabrikant in categorieën bepalend is. Voor niet in een categorie ingedeeld vuurwerk, bepaalt het overgangsrecht dat dit onder nader genoemde omstandigheden geldt als professioneel vuurwerk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen