Rb. Limburg 12 juli 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:6179
Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen sprake van een dringende reden die een ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. De werknemer berust in het ontslag en heeft verzocht aan hem een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 onder a BW toe te kennen. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat in het geval de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:677 lid 1 BW is opgezegd, het een gegeven is dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dit brengt met zich dat de werknemer aanspraak maakt op een billijke vergoeding. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding heeft als uitgangspunt te gelden dat deze wordt bepaald door de mate van het ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van de werkgever. In de omstandigheden van het geval, waaronder het gegeven dat werknemer een vergoeding toekomt wegens een onregelmatige opzegging, dat werknemer mede debet is geweest aan de gebrouilleerde arbeidsrelatie, werknemer inmiddels een nieuwe baan heeft en ook op grond van de wet andere mogelijkheden wordt geboden om aanspraak te maken op een vergoeding van de gevolgen van het ontslag, wordt aanleiding gezien de billijke vergoeding vast te stellen op nihil.
De uitspraak op rechtspraak.nl