Rb. Limburg 3 mei 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:3739
Alle in de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 (de Beleidsregel) genoemde termijnen moeten bij elkaar opgeteld worden om de uiterste beslisdatum te bepalen. De rechtbank ziet geen wezenlijk verschil tussen het termijnenstelsel voor planschadezaken van het Besluit ruimtelijke ordening waarover de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 2 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1395) oordeelde, en het termijnenstelsel van de voorliggende beleidsregel. Daaraan doe niet af dat verweerder op zich met juistheid onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2009 betoogd dat de termijnen van de artikelen 15 en 18 termijnen van orde zijn. Dat betekent namelijk dat aan het overschrijden van een van die termijnen weliswaar geen zelfstandige sanctie is verbonden, maar niet dat deze termijnen niet meetellen bij het bepalen van de uiteindelijke beslistermijn. Ook de verwijzing naar de tekst van artikel XVII van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van enkele bijzondere wetten in verband met de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (Stb. 2009/542) acht de rechtbank niet doorslaggevend omdat die tekst niet uitsluit dat met de daarin genoemde “termijn” het totaal van de deeltermijnen wordt bedoeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl