Rb. Limburg 13 april 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:3118
Betreft weigering tot toepassing van preventieve handhaving tegen een voorgenomen realisatie van een nieuwe melkveestal. De rechtbank is van oordeel dat het gevaar voor overtreding in het onderhavige geval klaarblijkelijk dreigt als bedoeld in artikel 5:7 van de Awb. De rechtbank is verder van oordeel dat in artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit een minimumgrens is opgenomen waaraan uitbreiding of wijziging van een dierenverblijf te allen tijde moet voldoen. De bevoegdheid van de gemeenteraad om voor een bepaald gebied een andere afstand vast te stellen met het oog op het mogelijk maken van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, doet daar niet aan af. De gemeenteraad heeft in de bijlage bij de Gebiedsvisie en Geurverordening het gebied aan de zuidzijde van de openbare weg, Groot-Haasdal, waar de inrichting en de woningen van eisers zijn gelegen, als buiten de bebouwde kom aangemerkt. Daarbij heeft het beleidsuitgangspunt om voorwaarden te scheppen die bijdragen aan de continuïteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven een belangrijke rol gespeeld. De rechtbank stelt vast dat qua dichtheid van de bebouwing en de aantallen woningen feitelijk geen relevant verschil bestaat tussen de noord- en zuidzijde van de weg Groot-Haasdal. Het bestreden besluit, waarbij verweerder heeft beslist dat aan de afstandseis van artikel 3.110 van het Activiteitenbesluit is voldaan, berust daarom op een ondeugdelijke motivering en wordt door de rechtbank vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl